Afbeelding

De Wierickerschans tijdens de Eerst Wereldoorlog

Algemeen Verhalen uit het archief

Na de bouw in 1672 is er vanaf de Wierickerschans geen schot gelost. Pas tijdens de Eerste Wereldoorlog kwam het fort weer in het nieuws.

In oktober 1914 kwamen na de val van Antwerpen behalve veel burgervluchtelingen uit België, ook militairen uit België, Engeland, Frankrijk en Duitsland over onze grenzen. De geïnterneerde buitenlandse officieren hadden eerst nog een grote bewegingsvrijheid, indien zij bereid waren op erewoord te verklaren dat zij niet zouden ontsnappen. Eind 1914 kwam daar een eind aan. Het ministerie van Oorlog besloot toen om alle officieren onder strenge bewaking op te sluiten. De meeste Britse officieren verhuisden toen naar het fort De Wierickerschans. 

Het fort kwam in januari 1915 onder bevel te staan van J.M. baron van Boecoop. Op 14 januari werd De Schans ingericht als interneringskamp voor de geallieerde officieren. In eerste instantie werden er 39 Engelse, 1 Franse en 2 Belgische officieren geïnterneerd. Later volgden er meer, waaronder gevluchte Duitse officieren. Er kwam een bewakingsdetachement van 150 Nederlandse militairen onder bevel van 4 officieren. Omdat er op het fort geen plaats was voor al deze bewakingstroepen, werden de meesten ingekwartierd in Bodegraven. 

De internering had ook gevolgen voor het dorp Bodegraven. Daar werd op 2 maart 1915 de ‘staat van beleg’ afgekondigd en burgemeester H. Le Coultre moest een deel van zijn bevoegdheden aan de commandant van het fort afstaan. Verder werd er een waslijst van verboden gepubliceerd: men mocht geen handeldrijven met de geïnterneerden, zonder vergunning met een motorfiets langs de schans rijden, zich bevinden op de wallen van het fort of met een vaartuig stil liggen in de Oude Rijn of de Wiericke bij het fort. Bij overtreding werd men gestraft volgens de Wet op de Staat van Oorlog en Beleg. De straf kon een geldboete zijn van 300 gulden of een maand hechtenis. 

De burgemeester en commandant van Boecoop konden gelukkig prima met elkaar opschieten, zodat zich in de praktijk weinig problemen voordeden. Le Coultre gedroeg zich zeer diplomatiek en bracht veel bezoeken aan het interneringskamp. Daardoor kreeg hij goede contacten met de leiding, de bewakers en de geïnterneerde militairen. Deze contacten bleven intact, ook na het einde van de internering in 1917. De zorg voor de gezondheid van de militairen werd opgedragen aan de Bodegraafse huisarts dr. M.W. Marsman, die daarmee waarnemend officier van Gezondheid werd.

Primitieve huisvesting
De geïnterneerden werden ondergebracht in verschillende opslagloodsen en de commandant en zijn officieren verbleven in de twee officierswoningen bij de ingang. Het Kruithuis werd gebruikt voor recreatie en kerkdiensten. De militairen konden er lezen en er waren muziek en toneeluitvoeringen.

Over het algemeen was de situatie wel vrij primitief: het fort was niet aangesloten op de waterleiding, waardoor er dagelijks drinkwater in tonnen uit Bodegraven moest worden aangevoerd. Ook waren er geen toiletten; hiervoor werden speciale hokjes gebouwd.

In een uitgave van Staatsbosbeheer genaamd ‘Genius Loci’ is veel te lezen over de internering. In het begin waren er strenge regels voor de officieren. Later werden de regels ruimer en mochten de officieren zelfs zwemmen in het water rond de schans. Ook mochten zij tennissen, voetballen en cricket spelen. Onder begeleiding zijn zij zelfs een keer wezen roeien op de Reeuwijkse Plassen.

Tunnels graven
Toch waren de Engelse militairen vanaf het begin van plan om te ontsnappen. Plannen om te ontsnappen ontstonden voor een deel omdat men zich verveelde, terwijl anderen het als hun plicht zagen. Het werd een spel tussen de bewakingstroepen en de geïnterneerde militairen. Er zijn diverse pogingen gedaan om via zelf gegraven tunnels te ontsnappen. ‘s Nachts werd er aan deze tunnels gewerkt in de grond van hun manschapverblijven, waarbij de militairen de bewakingstroepen op allerlei manieren probeerden af te leiden.

Ook door de Duitse militairen werden diverse ontsnappingspogingen gedaan, die bijna allemaal al snel ontdekt werden. Het vermelden waard is de poging van luitenant R. Eisenstock, die probeerde om in de reiskoffer van een Duitse machinist te ontsnappen. De machinist was ook geïnterneerd op de Wierickerschans, maar mocht naar zijn woonplaats Kiel terugkeren. Eisenstock verborg zich in de koffer en kroop pas in Arnhem uit zijn schuilplaats, waarna hij als non verkleed verder wilde reizen. Gewaarschuwde marechaussees wisten hem echter al snel te pakken en terug te sturen naar de schans. In april 1917 mochten de officieren van hun regering, na het geven van hun erewoord waarop zij beloofden niet te ontsnappen, zich elders in Nederland vestigen.