Foto:

Veel oude beroepen bestaan niet meer

  Historie

In deze verhalenserie over beroepen in onze dorpen in de vorige eeuwen komen een aantal verdwenen beroepen aan bod. In dit artikel bundelen we er een aantal.

Een van de verdwenen beroepen is de dorpsomroeper. Zover bekend was de eerste omroeper in Bodegraven De Vlieg, daarna volgde Jan de Vet. Hij werd weer opgevolgd in 1913 door Johan Blijleven. Behalve het omroepen van de aanbiedingen van de groentehandelaren, riep hij ook wekelijks om wanneer er vlees bij het slachthuis kon worden afgehaald. Ook de opening van de ijsbaan werd in de winter door hem omgeroepen. Blijleven nam tegelijkertijd ook een ander vergeten beroep op zich: as- en vuilophaler. Hij ging daarnaast ook met een baggerkar elke week de putten af om die leeg te scheppen. De laatste dorpsomroeper was Harmen Kooistra.

Ook het beroep van lantaarnopsteker bestaat niet meer. Deze man deed in de tijd van de gaslantaarns elke avond zijn ronde door het dorp om de twaalf lantaarns aan te steken. De pruikenmaker en de nachtwaker, die met zijn klepper door het dorp liep, zijn er ook niet meer. Na de pensionering van De Bruijn is ook de rietdekker uit het dorp verdwenen, evenals de overwegwachter, de stationschef, de loodasbrander en de kuipers Dam, Daudeij en Riecherts, die kuipen, vaten en tonnen maakten voor allerlei doeleinden.

Kleine zelfstandigen
In de vorige eeuw kon je bij diverse mensen overtollige spullen kwijt. Zo wilde de schillenboer graag je afval hebben voor veevoer en kon je met je vodden of oud ijzer en oude kranten terecht bij Gans en Houtman. Er waren kleine bedrijfjes zoals van Schellingerhout, die koper en blikslager was, terwijl je bij Brunt en Domburg terecht kon om je naaimachine te laten repareren. Bijzonder was de ‘was en strijkinrichting’ van de Groot, waar je onder andere je losse boorden kon laten wassen en stijven. Ook de ‘heetwaterstoker’ Hulshof had een apart beroep. Bij hem kon men voor een klein bedrag heet water halen of het laten bezorgen. 

Daarnaast was er Joustra de scharenslijper en olieman De Ruijter, die langs de deuren kwam om petroleum te verkopen voor de peteroliestelletjes die in ieder huishouden gebruikt werden. Sluiswachters Van Diepen, Vermeulen, Van Wijk en Pijnacker verkochten dezelfde waar. De functie van marktmeester, die op dinsdag de aanvoer en plaatsing van de kaasbrikken op de kaasmarkt regelde, is ook opgeheven. Bekend waren: Oosterkerk, Bekker, Blijleven, Van der Laan, Schellingerhout, Pul en Jaarsveld. Sinds de entree van de centrale verwarming is de brandstoffenhandelaar uit het beeld verdwenen. Die bracht vroeger de antraciet en eierkolen in grote zakken bij de mensen thuis om ze in het kolenhok te storten.

Touwslager
In 1840 kende Bodegraven nog twee touwslagerijen maar er zijn er minstens vijf van dergelijke bedrijven geweest. Rondom het dorp werd in de vorige eeuwen veel hennep en vlas verbouwd, dat de grondstof vormde voor het draaien van touw. De touwbanen bestonden uit langgerekte stroken grond, van een paar meter breed en soms wel 50 tot 300 meter lang. De laatste touwslagerij was Van Meurs, en gevestigd in de Noordstraat tegenover het huidige pand ‘De Phoenix’ (zie foto). Rond 1840 gaf deze touwslagerij aan ongeveer twintig mensen werk. Na het overlijden van Van Meurs, hebben de touwslagers Van Kruijl en Wolswijk er nog gewerkt tot rond 1940. Er is gelukkig nog een foto waarop deze touwslagerij te zien is. Er is alleen nog een gevelsteen, aan de achtergevel van een huis in de Kerkstraat dat aan deze bedrijvigheid herinnert. Op deze steen staat: ’Als de schijven rollen nae mynen sin so wacht ick van Godt een goet gewin’.

Loodwitfabriek
In de Kerkstraat was tot 1816 een loodwitfabriek gevestigd. Deze loodwitfabriek stond naast de plaats waar later het weeshuis stond, nu Kerkstraat 37. Alleen de naam ‘Weeshuisbaan’ herinnert nog aan die tijd. Omdat bij de fabricage gebruik werd gemaakt van azijnzuur, salpeterzuur en paardenurine moet de stank verschrikkelijk geweest zijn. Dit is waarschijnlijk de reden dat in 1816 dit bedrijfje uit de dorpskom verhuisde naar de verre Noordzijde, op de plaats waar nu de villa ‘Groot Rhodus’ staat. Deze naam is niet toevallig, maar door de eigenaar van de fabriek H. ter Meulen gekozen omdat op het gelijknamige eiland het eerste loodwit is gevonden. 

Het lood werd met schuiten over de Oude Rijn naar Bodegraven vervoerd. Daar werd het naar de fabriek gereden om in grote potten te worden gesmolten. Na afkoeling werd het lood in kleine potten gedaan met onderin azijn, die vervaardigd werd in de eigen azijnfabriek die aan de Rijn stond. De potten met lood en azijn werden met kruiwagens naar de broeihokken gebracht. Hier stonden de potten op een dikke laag stro en mest, die moest zorgen dat het geheel ging broeien en er loodwit ontstond. Het beste voor het proces was paardenmest. De fabriek sloot in 1883.

Meer berichten