
Gezinszorg in Bodegraven en Nieuwerbrug
Historie Verhalen uit het archiefAls een moeder ziek is, loopt het gezinsleven in de soep. Vroeger zeker, daarom werden deze gezinnen tot 1950 verzorgd via de diaconieën van de Bodegraafse kerken. Iedere kerk had een jonge vrouw in dienst, die tijdelijk in deze gezinnen als ‘gezinsverzorgster’ functioneerde.
door Cock Karssen
In 1950 werd in protestantse kring door de drie grote kerken en de gereformeerde kerk van Nieuwerbrug, samen met de Christen Vrouwenbond in Bodegraven een nieuwe stichting opgericht. In deze stichting Gezinszorg werkten de diaconieën van de vier kerken samen met een aantal dames uit de NCVB om het werk van de gezinszorg in Bodegraven en Nieuwerbrug te organiseren.
Het bestuur van de stichting onder voorzitterschap van T. Poot, later van H.G. van der Werken, liet het uitvoerende werk over aan de vier dames van de Christen Vrouwenbond. De dames G. Kool, N. van Dam-van Dijk, L. Breekveld-Fokkinga (later ook mevrouw A. Van Leeuwen) en M. Karssen-van Muiswinkel regelden de hulpverlening door acht gezinsverzorgsters en enkele reservehulpen in beide plaatsen (zie foto). Gezinnen konden zich aansluiten voor een contributie van 3 gulden per jaar, waardoor men voorrang had bij het aanvragen van hulp. Bij hulpverlening werd een bijdrage gevraagd die afhankelijk was van het inkomen. De contributie en de bijdrage waren echter ver beneden de werkelijke kosten van de verleende hulp. Men hoopte op subsidies van de rijksoverheid en de gemeente, naast de bijdrage van de aangesloten kerken.
Vervanging van de zieke moeder
De hulp was niet een uurtje helpen, maar het volledig overnemen van de taak van de zieke huisvrouw, gedurende zes dagen, inclusief de zondag. De hulp mocht zelfs zes weken verleend worden. Het ging dus niet om kraamverpleging of ziekenverpleging, maar louter om de huishoudelijke taken zoals kinderen helpen, de was doen, stofzuigen, enzovoorts. De toewijzing van de hulp gebeurde op doktersadvies.
Bij de start op 1 januari 1951 hadden zich al 500 gezinnen aangesloten. Na 5 jaar bleek dat de stichting in een enorme behoefte voorzag: in een jaar tijd was er hulp geboden door de acht gezinsverzorgsters in 84 gezinnen met in totaal 1615 verzorgingsdagen. De noodhulpen hadden daarnaast in 17 gezinnen op 98 dagen hulp verleend. De kosten van deze hulp bedroegen 13.000 gulden, de gezinnen betaalden 3.500 en de contribuanten 1.600 gulden, terwijl ook de diaconieën een flink bedrag betaalden. Er bleef dat jaar echter een tekort over van 6.000 gulden, waarvan de stichting hoopte dat dit door subsidie van rijk en gemeente zou worden gedekt.
Het regelen van de gezinszorg was voor de vrouwen van de NCVB, die het louter als vrijwilligsters deden, een flinke klus. Soms werd aan vijftien gezinnen tegelijk hulp verleend, waarbij in een week veel geschoven moest worden met de verzorgster en hulpen om alle aanvragers te kunnen helpen. Op de foto staan de dames van de NCVB met zeven gezinsverzorgsters rond 1955.
In 1960 werd ook het maatschappelijk werk bij de stichting betrokken. Er werd een maatschappelijk werkster aangetrokken, die de leiding van mevrouw M. Karssen-van Muiswinkel overnam.
Katholieke tak
De gezinszorg van de rooms-katholieke kerk had zich aan het begin van de jaren 50 aangesloten bij de organisatie in Gouda, omdat men geen meisjes kon vinden om hulp te verlenen. Contactadres voor deze organisatie in Bodegraven was mevrouw Dora Lelieveld.
De rooms-katholieke tak van dit werk zetelde dus in Gouda. Hoewel men in de jaren 60 probeerde om tot één Bodegraafse stichting te komen, mislukte dit helaas. De protestantse stichting ging in 1972 op aandringen van hogerhand over in de regionale stichting Rijn en Lekstreek, terwijl de katholieke tak zich verbond met stichtingen in de Goudse regio.