
Stoomschip De Bodegraven was de redding voor 74 Joodse kinderen tijdens WOII
Een niet algemeen bekend verhaal uit de meidagen van 1940 is het verhaal van het stoomschip De Bodegraven. Het schip had in 1929 in het bijzijn van het volledig college van burgemeester en wethouders van Bodegraven een proefvaart gemaakt, waarbij een gedenkplaat met het wapen van ons dorp en onder andere een afbeelding van de kaasmarkt was uitgereikt.
Nadat het vele jaren de woelige baren bevaren had, werd het stoomschip De Bodegraven in de eerste oorlogsdagen van 1940 gecharterd om Joodse kinderen uit Duitsland en Oostenrijk naar Engeland over te brengen. Deze kinderen, die bij het uitbreken van de oorlog in het Burgerweeshuis in Amsterdam zaten, werden met medewerking van de later bekende Truus Wijsmuller met vijf bussen naar het schip vervoerd langs alle versperringen van de strijd. In het boek 'De laatste trein naar de vrijheid' van M. Waite Clayton is het hele verhaal te lezen.
Truus was op 10 mei op de Nederlandse ambassade in Parijs om steun te krijgen voor de transporten van Joodse kinderen uit Duitsland. Toen ze hoorde van de Duitse inval in Nederland, reisde ze halsoverkop naar Amsterdam, naar het Burgerweeshuis. Zij had daar 74 Joodse kinderen ondergebracht, die ze met veel moeite uit Duitsland had weten te krijgen, en die nu wachtten op transport naar Engeland.
In de haven van IJmuiden heerste echter een grote chaos, omdat duizenden Joodse inwoners nog trachtten ons land te verlaten. Met veel moeite lukte het Truus en haar man Joop op het nippertje om de kinderen aan boord te krijgen. Zij bleven zelf achter in Nederland om nog meer mensen te kunnen helpen.
Ook een aantal Joodse gezinnen, waaronder de beroemde familie Goudstikker, wist met het schip te vluchten. Op 14 mei vertrok De Bodegraven uit de haven van IJmuiden en was daarmee het laatste schip dat deze haven nog kon verlaten. Eind 1944 werd het schip getroffen door een vijandelijke onderzeeƫr, waarna het snel zonk.
De Duitse bezetting
Veel mensen in onze dorpen kregen inkwartiering van Duitse soldaten, zowel in de dorpen als op de boerderijen in de omgeving. Ook werden overal de scholen gevorderd en moesten de lessen worden voortgezet op zolders van pakhuizen of andere locaties. In Reeuwijk kwam de inkwartiering later, daar werden pas in november 1942 vooral veel soldaten met paarden van de Wehrmacht ingekwartierd.
Met de eerste Duitsers viel het nog mee, ze gedroegen zich over het algemeen correct en sommige Ortscommandanten bestraften zelfs soldaten omdat ze zich aan de eigendommen van burgers hadden vergrepen. In de winter van 1942 bleek plotseling dat de 'Duitsers' in Bodegraven Polen waren in een Duits uniform, die gedwongen waren tot dienstneming.
De situatie veranderde echter drastisch in de winter van 1944 en daarna. Toen kwamen hier fanatieke Duitsers en een Nederlands SS-corps onder commando van de voormalig Nederlandse officier Ridder van Rappard. Toen begon de ellende pas goed.
De kolen- en gasvoorziening werd naarmate de oorlog duurde steeds slechter, in november 1944 waren zelfs alle voorraden uitgeput en was er ook geen elektriciteit meer. Om toch wat licht in de duisternis te krijgen, ging men weer gebruik maken van kaarsen, olielampen en mechanische zaklampen en de hooikist om het eten te garen. Ook wisten sommige knutselaars met behulp van een fiets wat elektriciteit op te wekken.
Voedselgebrek
Naarmate de oorlog langer duurde, ontstond er ook een gebrek aan voedsel. 's Avonds waren de wegen vol met mensen die de boer op gingen om een beetje melk of haver bij de boerderijen te halen.
De voedselschaarste werd ook in onze dorpen groot, doordat de Duitsers bijna alles voor zichzelf roofden; men moest rond zien te komen met een rantsoen van 400 tot 800 gram brood in de week. Hoewel in de meeste plaatsen in de omgeving het rantsoen verder 0,5 liter melk per persoon was, werd het in Bodegraven al snel 0,7 liter, wat toen een belangrijke vermeerdering betekende. Voor kinderen werd vaak nog weer extra pap met suiker gekookt.
Toen de voedselsituatie nog ernstiger werd in het voorjaar, vormden de kerken een Interkerkelijk Bureau dat probeerde om nog aan extra voedsel te komen; via het clandestien slachten van vee kon men nog wat bijdragen aan de ergste nood.