Jean Henri Dunant in zijn jonge jaren, oprichter van het Rode Kruis.
Jean Henri Dunant in zijn jonge jaren, oprichter van het Rode Kruis. Foto: Onbekende fotograaf

Henri Dunant; de man achter het Rode Kruis

Historie Openbaar Verleden

BODEGRAVEN-REEUWIJK - Wie in Bodegraven de Henri Dunantweg of in Reeuwijk-Brug de Dunantlaan inloopt, wandelt ongemerkt langs een van de invloedrijkste humanitaire denkers uit de 19e eeuw. De straatnaam verwijst naar Jean Henri Dunant (1828–1910), de man die aan de basis stond van het Rode Kruis en van het internationale oorlogsrecht, iets dat nog aan de orde van de dag is. Zijn leven leest als een roman: idealisme, succes, ondergang, vergetelheid en uiteindelijk eerherstel met de allereerste Nobelprijs voor de Vrede.

Dunant werd geboren in Genève als Jean-Henri Dunant, in een welgesteld en streng calvinistisch gezin. Zijn ouders namen hun geloof serieus, maar nog serieuzer was hun gevoel voor maatschappelijke verantwoordelijkheid. Zijn vader zette zich in voor gevangenen en wezen, zijn moeder verzorgde zieken en armen. Voor de jonge Henri was hulp bieden een vanzelfsprekendheid.

Als tiener bezocht hij gevangenen, deelde voedsel uit aan behoeftigen en richtte hij met vrienden een Bijbelkring op. In 1852 stond hij aan de wieg van de Geneefse afdeling van de YMCA. Toch leek zijn toekomst aanvankelijk in het zakenleven te liggen. Hij werkte bij een bank en bouwde handelscontacten op in Frans-Algerije en Tunesië. Het was een periode waarin Europa zijn koloniale vleugels uitsloeg en ondernemende mannen kansen zagen overzee.

Het kantelpunt

In juni 1859 reisde Dunant naar Noord-Italië om zaken te bespreken met keizer Napoleon III. Hij kwam aan in het stadje Solferino, op de avond van een bloedige veldslag tussen Oostenrijkse troepen en een Frans-Sardijnse coalitie. Wat hij daar aantrof, schudde hem wakker. Op het slagveld lagen tienduizenden gewonden, stervenden en doden. Er was nauwelijks medische zorg georganiseerd. Soldaten smeekten om water. Velen stierven simpelweg omdat niemand hen hielp. Dunant was geschokt. In plaats van weg te kijken, mobiliseerde hij de lokale bevolking om hulp te bieden. Hun motto was eenvoudig: ‘tutti fratelli’, wij zijn allen broeders. Nationaliteit deed er niet toe; wie gewond was, werd geholpen.

Terug in Genève liet het tafereel hem niet los. Hij beschreef zijn ervaringen in het boek ‘Un Souvenir de Solferino’, dat in 1862 verscheen. Het was geen droog verslag. Dunant pleitte uit moraliteit voor twee concrete ideeën: in elk land vrijwillige hulpverenigingen voor gewonde soldaten en internationale afspraken die medische hulpverleners neutraliteit zouden garanderen.

Rode Kruis

Zijn boek vond gehoor. In 1863 werd in Genève een comité opgericht met vijf leden, onder wie Dunant. Dat comité groeide uit tot het International Committee of the Red Cross. Een jaar later leidde een diplomatieke conferentie tot de eerste Conventie van Genève, waarin landen afspraken gewonden en medisch personeel te beschermen in oorlogstijd. Het rode kruis op een wit vlak, de omkering van de Zwitserse vlag, werd het herkenbare symbool van neutraliteit en hulp. Wat begon als een bevlogen idee van één man, werd een internationale beweging. Voor het eerst in de geschiedenis werden oorlogvoerende staten gebonden aan humanitaire regels.

Val en vergetelheid

Toch liep Dunants persoonlijke leven een heel andere kant op. Zijn ondernemingen in Algerije mislukten. In 1867 ging hij failliet. In het calvinistische Genève gold dat niet alleen als zakelijk falen, maar als morele misstap. Hij werd uit het Rode Kruisbestuur gezet en sociaal gemeden. 

Wat volgde, waren jaren van armoede en omzwervingen door Europa. Hij verbleef in Parijs tijdens de Frans-Duitse Oorlog, zette nieuwe, vaak utopische, initiatieven op voor vrede en internationale samenwerking, maar leefde zelf in armoede. Zijn naam raakte op de achtergrond, terwijl het Rode Kruis uitgroeide tot een wereldwijde organisatie. Pas in 1895 veranderde zijn lot. Een journalist ontdekte de verarmde grondlegger in het Zwitserse dorp Heiden en publiceerde een artikel over hem. De wereld herinnerde zich wie hij was.

Nalatenschap

In 1901 ontving Dunant samen met de Franse vredesactivist Frédéric Passy de allereerste Nobelprijs voor de Vrede. Het was een symbolisch moment: erkenning voor humanitaire actie als fundament voor vrede. Dunant was toen 73 jaar en leefde nog altijd eenvoudig in een verpleegtehuis in Heiden. Het prijzengeld gebruikte hij niet voor zichzelf; schulden en giften aan goede doelen kregen voorrang. Hij stierf in 1910. Zijn laatste rustplaats vond hij in Zürich, zonder praal of ceremonie, zoals hij het zelf had gewenst.

Dunants gedachte dat zelfs oorlog grenzen moet kennen, is vandaag verankerd in het internationaal recht. Het Rode Kruis en de Rode Halve Maan zijn actief in conflictgebieden en bij rampen wereldwijd. 8 mei, zijn geboortedag, geldt als Wereld Rode Kruis- en Rode Halve Maandag.

Het schilderij 'Bataille de Solférino' geeft de gruwelijke veldslag weer waar Dunant tot inzicht kwam.