
‘Ik ben dankbaar dat men wil luisteren, dit mag niet vergeten worden’
HistorieBODEGRAVEN - Selma van der Wolf-Velleman, geboren in 1931, vertelt over de periode in de oorlog, toen zij als Joods meisje moest onderduiken: een ingrijpende tijd die van grote invloed was op haar verdere leven. Selma heeft met haar man Huug 40 jaar in Reeuwijk gewoond, maar woont nu in Bodegraven.
door Cil Vrij
Het verhaal van Selma start in de Bergstraat in Utrecht. Selma woonde met haar zus en ouders bij opa en oma Querido. Zij hadden een manufacturenwinkel. “Toen de oorlog begon, zat ik nog op een gewone school. Op zaterdag was het ‘sabbat’ en op zondagochtend en woensdagmiddag kregen wij ‘Joodse les’. Al snel moesten wij als Joodse kinderen bij het verlaten van de school een gele ster op onze jas dragen en de volgende stap was dat alle Joodse kinderen naar eenzelfde school moesten.”
Steun uit het verzet
Er kwam een oproep dat de Joodse mannen zich moesten melden in Amsterdam. “Mijn opa was erg angstig, maar ging wel. Mijn ouders wilden dit niet. Mijn vader ging naar familie in Maastricht; ik heb hem nooit meer teruggezien. Hij is overleden in Auschwitz. Mijn moeder was strijdbaar. Zij vond een plekje in een inrichting in Den Dolder waar oma kon ‘onderduiken’. Daar kwam mijn moeder in contact met verzetsman Van der Molen; hij was onderwijzer op de school van de Nederlandse prinsesjes,” vult zij aan.
Van der Molen wist een benedenwoning voor Selma, haar zusje Roos en haar moeder te regelen in Den Dolder. In de bovenwoning woonde een vrouw. Via de andere voordeur kwamen regelmatig Duitsers langs voor een kort bezoek. “Pas later realiseerde ik mij dat de vrouw een prostituee was,” zegt Selma glimlachend “wij waren angstig als wij Duitsers zagen komen.”
Onderduikadres
Van der Molen zorgde via het verzet voor distributiebonnen. Toen daar een tekort aan kwam, moesten zij ergens anders naartoe. Selma had net als haar vader blond haar en blauwe ogen, moeder en zus Roos hadden echter donker haar. Daarom werd Selma ondergebracht op een boerderij: zij kon doorgaan voor één van de boerenkinderen. Daarbij kwam ook een naamswijziging, ze ging door onder de schuilnaam Ria Andriessen. Het was geen fijne tijd. Selma wist niet waar haar familieleden waren; voor de veiligheid werd dit niet verteld. “Ik heb mij daar erg ongelukkig gevoeld, hoewel er wel kinderen waren om mee te spelen. De sfeer was onprettig en streng. Ik at haast niet, dus Van der Molen zocht een ander onderduikadres voor mij”, zegt Selma hierover.
Nijkerk
Met risico voor eigen leven vond Van der Molen een ander adres bij ‘Ome Henk, tante Bep en zoon Leendert’, familie Van Lent, in de Kleterstraat in Nijkerk. De 18-jarige Leendert hield zich schuil omdat hij zich niet gemeld had. Zodra er gevaar dreigde, verstopte hij zich op zolder. Er waren veel mensen ondergedoken in Nijkerk. Zus Roos woonde daar ook bij een gezin. In het verzet werden er uit veiligheid geen echte namen genoemd. “Oom Bram, de broer van mijn moeder, had het over ‘dominee Opti’. De altijd positieve dominee uit het verzet. Verder had mijn oom het over ‘Kalli Billie’, de familie Callenbach, waar oom Bram en mijn moeder ondergedoken zaten”.
Selma heeft veel te danken aan de familie Van Lent en aan anderen in Nijkerk. Zij benadrukt dat er niemand verraden is in Nijkerk, terwijl dat regelmatig gebeurde: “Oom Bram en moeder zijn aan het eind van de oorlog verraden. Oom Bram moest naar Westerbork, moeder naar ‘t Oranjehotel Scheveningen. Zij hebben de oorlog gelukkig overleefd”.
Angstige tijden
Er waren veel angstige momenten tijdens het onderduiken. Ome Henk luisterde stiekem naar Radio Oranje. Hij stak dan de straat over naar een overbuurman. Een keer werd hij tijdens het oversteken gezien door een Duitse militair. Oom Henk rende terug naar huis en dook op de bovenverdieping in bed met de radio. Toen de Duitser met het geweer in de aanslag de keuken in kwam, zaten daar Leendert en tante Bep. “Dit is mijn man,” zei tante Bep. “boven ligt er iemand ziek in bed.” Omdat men in de oorlogstijd erg bang was voor besmettelijke ziekten, werd ‘de patiënt’ met rust gelaten. Het liep het met een sisser af.
Selma blikt terug: “We konden niet naar school. Wel mochten we veel buiten spelen, daar heb ik mijn liefde voor turnen opgedaan. Ook mocht ik op zwemles. Daar leerde ik mijn vriendin Truus Hoogeveen kennen. Zij nodigde mij uit op de boerderij; ik speelde en at graag mee. Ik heb nu nog contact met haar zussen.” Het spelen was overigens ook niet zonder enig gevaar. “Eenmaal tijdens het buitenspelen versprak een nichtje zich en noemde de echte naam van mijn zus Roos. Er is toen onmiddellijk een nieuw adres voor mijn zus gezocht.”
Nieuwe start
De bevrijding van Nijkerk was eind april 1945. Selma zat in een kelder en zag door een ventilatiekier links in de straat een Duitser lopen met zijn handen omhoog aan de andere kant een Canadese soldaat met een radio op zijn rug. “Ik weet nog dat wij toen haring uit blik en wit brood kregen”. Oom Bram, moeder, zus Roos en Selma gingen terug naar, hun inmiddels niet meer eigen, huis. Dat was heel heftig: “het was leeggeroofd en er woonden andere mensen in. Alleen onze deurmat lag er nog”.
Het gezin maakte een nieuwe start zonder vader. Moeder, haar zus Roos en Selma kregen een huis toegewezen van NSB’ers. Zij gingen stoffen verkopen op de markt. Op latere leeftijd kwam Huug in het leven van Selma. “Een lief mens,” noemt zij hem. “Hij was niet Joods, maar meer Joods dan menigeen”. Selma kan uren vertellen over haar ervaringen en legt graag de nadruk op het belang daarvan. Ze concludeert: “Er moet heel veel ruimte voor deze verhalen zijn: dit mag niet vergeten worden!”