Logo kobr.nl

Bodegraven-Reeuwijk ontstaan uit een wildernis

Verhalen uit het archief

Door Cock Karssen

In de nieuwe serie 'verhalen uit het archief ' wordt de historie van het hele gebied van onze gemeente onder de loep genomen. Wij starten bij de ontstaansgeschiedenis:

Rond het begin van onze jaartelling bestond het gebied naast enkele kleiruggen langs de rivier de Rijn uit hooggelegen moerasgebied met hier en daar een heuvel van zand. De rivier de Oude Rijn was de noordelijke grensrivier van het Romeinse rijk. Bewoning was alleen mogelijk op de kleiafzettingen langs de rivier. In de periode tussen het jaar 60 na Christus en het jaar 260 hadden de Romeinen zich langs de oevers van de Rijn gevestigd en waren er nederzettingen van de Kaninefaten te vinden. Verder waren er alleen rondtrekkende vissers en jagers die tijdelijk bivakkeerden op de oevers van de Oude Rijn en de Meije. In het jaar 260 verlieten de Romeinen onze streken, en ook de Kaninefaten verlieten hun nederzettingen.

Het westen van ons land was tot het jaar 1000 bijna helemaal woest en onbewoond. De rivieren die vaak overstroomden, zetten rivierklei af en namen zand mee, dat hier en daar ook afgezet werd. Ook is er zelfs nog zeeklei aangetroffen in het gebied Broekvelden. Behalve de rivieroevers bestond het land uit zompig laagveen met wat riet en wilgen en elzenbossen. Deze bossen moeten behoorlijk groot geweest zijn, er zijn stammen van 17 meter lang gevonden. Ook bij de aanleg van de landijsbaan in Molenbrug zijn eeuwenoude boomstronken opgegraven. Het gebied was in handen van de Duitse keizer. Hij had het bestuur overgedragen aan de Bisschop van Utrecht in het oosten, en aan de Graven van Holland voor het westelijke gebied.

Rond het jaar 1000 begonnen deze machthebbers belangstelling voor het westen van Nederland te krijgen. Zij stimuleerden mensen die het veengebied wilden ontginnen, door hen op gunstige voorwaarden land in leen te geven. De kolonisten die een stuk land ontgonnen werden of vrije eigenaar, of zij behoefden slechts een lage pacht te betalen aan de landeigenaar. Een dergelijke overeenkomst werd een cope-contract genoemd. Waarschijnlijk is rond het jaar 750 in onze regio, weer bewoning langs de Rijn ontstaan.

Om het land te ontginnen werden sloten gegraven, die loodrecht op de bedding van de Oude Rijn en van de veenriviertjes de Oude Bodegrave, de Meije, de Wiericksloot en de Oude Wetering stonden. Dit gebeurde om het water uit het laagveengebied af te voeren, waardoor het land minder zompig werd en geschikt werd voor tarwe, rogge, gerst, boekweit, haver en de hennepteelt. Omdat het veen nog hoger lag dan de rivier werd het overtollige water in het begin makkelijk op de rivier geloosd. De sloten werden met de hand op vaste afstanden van elkaar gegraven en hadden ook een vaste lengte. Men noemde dit verkavelen. Aan het einde van zoín kavel kwam een dwarsdijkje, waarachter men dan een nieuwe kavel kon aanleggen.

Door de ontginning werd een wegenpatroon gevormd, wat men evenals het slotenpatroon, nog steeds in het landschap aantreft. In het Reeuwijkse gebied zijn de Randenburgseweg, de Middelburgseweg, de Reewal, de Nieuwdorperweg, de Platteweg en de ís-Gravenbroekseweg al eeuwenoud, zij bestaan al sinds de 13e eeuw! De boeren in het nieuw ontstane gebied verenigden zich in heemraadschappen en hoogheemraadschappen om de waterhuishouding van de ontstane polders te regelen. Deze waterschappen werden al in de 13e eeuw gevormd, en bestuurd door de mensen (ingelanden genoemd) die in het gebied woonden. In 1322 werd het Groot Waterschap Woerden opgericht. Men gaat dijken bouwen die de polders beschermen tegen het water bij overvloedige regenval. Ook komen er weteringen die het water nog beter kunnen afvoeren naar de rivieren.

Meer berichten