Verhalen uit het archief

Turfwinning in de veengebieden

Door Cock Karssen 

Door de ontwatering van ons gebied en de afvoer van het water door de molens, ontstond er bodemdaling. De streken langs de Oude Rijn en de veenriviertjes die uit kleigrond bestonden, begonnen daar bovenuit te steken.

Het oorspronkelijke laagveenmoeras dat zich zowel ten noorden als ten zuiden van de Oude Rijn uitstrekte, werd voor een deel ontgonnen voor bouwland en grasland. Maar ook het metersdikke veenmosveen ging men gebruiken. Zowel in het noorden in het gebied van de Meije als in het zuiden in het veengebied rond Sluipwijk en Reeuwijk begon men turf te baggeren.
De Romeinen hadden al ontdekt dat veen in de vorm van turf goed was te gebruiken als brandstof. Het winnen van turf door vervening gebeurde in eerste instantie vooral
voor eigen gebruik, later werd het een belangrijk handelsartikel. Hertog Aelbrecht van Beieren stelde in 1382 al regels op voor de vervening om het bagge­ren enigszins te beteugelen. In het gebied van de Meije was het turfsteken in 1394 al verboden, maar ondanks het toezicht van de bewoners van de Meijehoeve werd er rustig door gebaggerd. Zo ontstonden in dit gebied uiteindelijk de Nieuwkoopse plassen. Rond deze plassen stopte men eind 19e eeuw met de vervening omdat er klei in de turf begon te komen. Veen dat onder voedselarme omstandigheden was gevormd, gaf de beste turf. Ten westen van Gouda lag veenmosveen, dat zeer goede turf op­leverde. Nadat in de 17e en 18e eeuw deze polders leeg gebaggerd waren, begon men aan het veengebied rond Sluipwijk en Reeuwijk. Dit veen was wel minder van kwaliteit, maar Gouda had grote behoefte aan turf voor haar aardewerk fabrieken en blekerijen. John van Gemeren heeft uitgebreid beschreven hoe het turf baggeren in zijn werk ging.

Rond 1530 had men ontdekt dat met een bagger­beugel veen onder de waterspiegel was te winnen. Men noemde dit slagturven. Dit proces werd vooral gebruikt in het gebied tussen Rijn en IJssel. In deze streek was al eeuwenlang landbouw en veeteelt uitgeoefend in de polders. Om bij het veen te komen moest eerst de bovenste laag teelaarde verwijderd worden (30-40 centimeter), dan ging men met de baggerbeugel aan de slag. De beugel werd in een boot (de baggerbak of veenbok) geleegd, waarna hout en mosseltjes verwijderd werden. De baggerbak werd op zijn beurt leeg gehoosd op een legakker, waar het een nacht lag te drogen. Dan liep men met plankjes onder de voeten (treeborden) over de veenbrij, daarbij in evenwicht gehouden door twee stokken (treekrukken) om het veen tot een koek te trappen. Na drie dagen werd de koek met een soort hark, de turfklauw, in ruiten gesneden en daarna weer in blokken gestoken met de stikgraaf. Na anderhalve week kon men elk blok van 64 turven lossteken, waarna de turven nog zesmaal in verschillende standen aan zon en wind werden blootgesteld om ze te drogen. Bij goed weer duurde dit 8 tot 10 weken, daarna kon men de turven opstapelen tot een steupel. Deze werd weer afgedekt met bladriet en plaggen tegen zon en regen. Uiteindelijk vervoerde men de turven per schip via de wetering naar de Breevaart en verder naar Gouda. Het vervenen gebeurde meestal tussen begin april en eind augustus. Het hele proces is op beeld te zien in de Streekmuseum Oudheid­kamer in Reeuwijk. Zover men weet, is men in 1670 met dit werk begonnen. Elfhoeve, 's-Gravenbroek en Ravensberg werden het eerst verveend. Tussen 1700 en 1900 leverden deze polders jaarlijks miljoenen baggerturven op. Ten westen en noorden van Reeu­wijk-Dorp is vanaf 1734 turf gebaggerd, ook in de Tempelpolder en de Wonne.
In 1802 startte men pas bij de Middelburgse polder. In 1865 waren de polders zo goed als uitgeveend. Bij Sluipwijk is men iets langer doorgegaan, ook heeft men hier tijdens de Tweede Wereldoorlog voor eigen gebruik nog turf gebaggerd. Dit gebeurde toen ook in Oud Bodegraven. De laatste verveners in Sluipwijk waren
de gebroeders Schouten, Gerrit van Dijk, Joh. van der Star, Piet Verwaal en Piet van Wensveen.

Meer berichten