Foto:
Verhalen uit het archief

Oude beroepen in onze dorpen

In de vorige eeuwen liepen in onze omgeving een groot deel van de bewoners nog op klompen. Alleen de gegoede burgerij kon schoenen betalen. Kinderen uit de buitengebieden liepen dagelijks vele kilometers naar en van school op klompen. Het is bekend dat kinderen uit het achterste deel van de Meije tot vlak bij school op hun klompen liepen en dan dicht bij school hun klompen verwisselden voor schoenen. Meestal had men dan ook maar één paar schoenen.

Tekst: Cock Karssen

Klompenmakers waren dan ook heel belangrijk in die tijd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog brachten bewoners van de Meije een stuk hout van eigen land naar de klompenmaker om er hun klompen van te laten maken. Men ging naar Van der Werf in de Meije of naar een klompenmaker in Nieuwkoop, Nieuwerbrug of Bodegraven. In Bodegraven adverteerde klompenmaker Gründman met speciale Rijnklompen. Zo had elke gemeenschap zijn eigen klompenmaker. Bij Reeuwijk-Brug was dat bijvoorbeeld Slingman. Men gebruikte hout van populieren, wilgen of iepen.

Daarnaast hadden ook de schoenmakers veel werk. Naast een schoenenwinkel voor de verkoop had men altijd een eigen reparatieafdeling, waar de schoenen of laarzen gerepareerd werden. Omdat schoenen duur waren, werden ze vaak opgelapt, wat de schoenmakers de naam ‘schoenlappers’ opleverde. Van der Werf in de Meije maakte daarnaast zadels en tuigen voor paarden en hij fungeerde als barbier.

Smederijen
De vele paarden en boerenwerktuigen brachten veel werk mee voor de smeden. Er waren er dan ook diverse te vinden in de dorpen. De smederij van D. de Vlieg in Bodegraven dateerde al van de 17e eeuw en smid Piket vestigde zich al in 1847 aan de Overtocht in Bodegraven. Aan de westelijke kant van de Kerkstraat was de smederij van Bos te vinden. Bos nam in 1896 de smederij over van Theo de Vlieg en verhuisde later naar de overkant van de straat naast de Erasmusschool. A. Kloot had zijn smederij ook in de Kerkstraat tegenover loodgieter Van Waveren. De smidse van Jüngling aan de Wilhelminastraat gold als een van de oudste van het dorp Bodegraven. Deze smederij wist de brand van 1870 te overleven en deed na deze ramp dienst als voorraadschuur. De smederij was zo groot dat er drie paarden tegelijk konden worden beslagen. De smeden maakten zelf de hoefijzers en ijzeren banden die om de houten wielen van de boerenwagens werden gelegd. Na de jaren 60 van de vorige eeuw werden er steeds minder paarden gebruikt op de boerderijen, waardoor de smid zijn bakens moest verzetten. Later gingen veel smeden over tot het maken en repareren van kolen- en oliehaarden.

In Nieuwerbrug hebben Heck Fioole en Jan Voorbergen veel smeedwerk verricht. In 1908 begon ook Abraham Francken een smidse in Nieuwerbrug. In 1939 zette zoon Daan het werk van zijn vader voort, dat toen nog voor een groot deel bestond uit het werk dat hierboven genoemd is. De volgende generatie, Bram en Jelle, verzetten de bakens en gingen meer de kant van constructiestaal op. Naast de smederij, midden in het dorp, kwam een werkplaats en opslagterrein. Onder leiding van Martin Francken is de naam veranderd in Francken Metaal BV, een firma die nog steeds bestaat en als motto heeft: ‘Wij zijn groot genoeg voor groot werk. Maar niet te groot voor klein werk.’

In de Meije hadden de smederijen van M. Voorn en van P. Francken goed werk. In Waarder was smederij Neuteboom gevestigd. In Reeuwijk-Brug was de smederij van Gerrit Vente, opgericht in 1882, een bekend bedrijf. In 1925 nam neef G. van der Heijden de smederij over tot 1952. In Reeuwijk-Dorp kende men een aantal smeden, die vooral werkten voor de vele boeren in de omgeving: Rijkenhuizen begon als smid en nam later ook de reparatie en verkoop van landbouwgereedschappen op zich. Macdaniël maakte ook schaatsen. Verder waren er nog Dhondt, Blankers en Van Ree.

Scheepwerfjes
Langs de Oude Rijn met de drukke beurtvaart waren scheepswerfjes te vinden. In Bodegraven waren in de tweede helft van de vorige eeuw Dré Veelenturf en E.H.M. Spaas nog actief in het bouwen van boten voor de pleziervaart. Verder was het vooral in het gebied van Sluipwijk dat er scheepjes werden gebouwd. In 1854 begon J. Stam aan de ‘s Gravenbroekseweg een scheepsmakerij. De typische Reeuwijkse schouw werd hier gebouwd. Stam werd opgevolgd door W. Vermeulen, K. Verweij, H. Spoormaker en G. Uitenbroek. In 1925 nan A. Hagendijk de werf over tot zijn overlijden in 1935. In 1937 startte A. Hulshof zijn werkzaamheden op de werf, die hij de naam ‘De Waterlelie’ gaf. Hij verlegde de botenbouw naar het maken van pleziervaartuigen, hoewel hij ook nog graag de Oudhollandse schepen bleef bouwen. Hulshof was een van de eersten die experimenteerde met nieuwe kunststoffen in de botenbouw. Hij kreeg echter steeds meer moeite om vakmensen te vinden. Uiteindelijk werd de jachtwerf in 1995 gesloopt. Andere scheepsbouwers waren K. van der Starre, A. van Kersen en P. Maatje, later overgenomen door Janmaat en Van Hork. Op Jachtwerf Reeuwijk houden heden ten dage de jachtbouwers L. van der Starre en A. van Mie zich bezig met de bouw van elektrische sloepen. Zij volgden hier Thom van Zijp op, die al langer bezig was met de ontwikkeling van deze sloepen.

Meer berichten