Marcherend op het schoolplein.
Marcherend op het schoolplein.

Bodegraven in oorlogstijd door de ogen van een kind

Algemeen Verhalen uit het archief

In deze spannende tijden met oorlogsdreiging op korte afstand en met de herdenking van de Tweede Wereldoorlog op komst, kijken wij terug naar mei 1940. Jan Griffioen vertelt erover in zijn dagboek. Toen de oorlog uitbrak, was hij 9 jaar.

door Cock Karssen

‘Op 10 mei 1940 werden wij vroeg gewekt door een geluid dat zeer ongewoon was. Het was het gebrom van honderden vliegtuigmotoren. Wij zagen dat de lucht zwart was van de vliegtuigen. Zij vlogen zeer laag. Zo laag dat wij duidelijk kruisen zagen. Zwarte kruisen op de vleugels en rompen. Zwarte kruisen met witte randen. Wat ik als negenjarige jongen niet wist, was dat het de Duitse herkenningstekens waren. Op de staart van de vliegtuigen stonden hakenkruisen. Wij kinderen begrepen er niets van. Helaas zouden wij de kruisen en de hakenkruisen in de komende jaren nog vaak zien. 

Af en toe hoorden wij het geratel van mitrailleurs en het gebulder van de luchtafweerkanonnen. Wij wisten niet wat het was, wij vonden het allemaal prachtig. Het was een overdonderend geloei en geknal, en het huilende geluid van sirenes kwam er plotseling nog bij. Dit geluid was bedoeld om ons te waarschuwen, een luchtalarm! Wisten wij veel. Wij wisten niet wat dat betekende, tot mijn vader riep dat wij binnen moesten komen omdat het gevaarlijk was om buiten te zijn. Ook dat snapten wij niet. Het was mooi weer en er was van alles te zien. Dus ik treuzelde nog wat, maar ging uiteindelijk naar binnen.

Duitsers vallen ons land binnen

Binnen hoorden wij de berichten over de radio; de Duitsers vielen Nederland binnen. Als kind vond je dat niet zo bijzonder, want wij hadden toch soldaten? Die zouden ons wel beschermen en de moffen wegjagen. Er lagen in Bodegraven genoeg Nederlandse soldaten die geweren hadden, dachten wij naïef. In werkelijkheid waren dat Rode Kruissoldaten die zwak bewapend waren. Zij waren gelegerd in het Beursgebouw twee huizen bij ons vandaan. 

Toen na ongeveer een uur het geluid buiten minder werd, gingen wij weer naar buiten. Iedereen was op straat en sprak over de oorlog. Duitsland had zijn woord gebroken en had het neutrale Nederland aangevallen. Wij zagen veel Nederlandse soldaten naar het station gaan. Dat waren reservisten die opgeroepen waren. De mannen gingen gepakt en gezakt hardlopend met het geweer op de rug naar het station. Hier zagen wij in de drukte vrouwen die huilend afscheid namen. Ook dat begrepen wij niet, wij konden ons geen voorstelling maken van de situatie. Wat was oorlog? Daar zouden wij echter wel achter komen. Wij gingen naar de Da Costaschool in de Spoorstraat, waar bovenmeester Smit ons uitlegde dat Nederland in oorlog was. Tot nader orde werden wij naar huis gestuurd, wat wij natuurlijk fantastisch vonden. Oorlog was toch wel leuk! 

Thuis hoorden wij de radioberichten en de waarschuwingen om binnen te blijven bij het luchtalarm. Ook moesten wij weg blijven van de ramen, want die zouden kunnen breken door de luchtdruk. Mijn vriend Jan van de Lagemaat, die in de Prinsenstraat woonde, kwam mij halen en wij gingen op pad. Nauwelijks aangekomen op de Nieuwe Markt, waar wij naar de soldaten gingen kijken, hoorden wij het luchtalarm weer. Wij trokken ons er echter niets van aan en zagen hoe de Rode Kruissoldaten volledig in alarmtoestand waren. Er werden auto’s gestart en paarden voor de ambulancewagens gespannen, waarna de colonne na enkele uren richting Leiden vertrok. Wij hoorden later dat de colonne door Duitse vliegtuigen beschoten is en dat er veel doden bij zijn gevallen. 

Ook het transportbataljon dat in gebouw Rehoboth was gelegerd, vertrok uit ons dorp met hun vrachtwagens. Deze chauffeurs hadden een rood wiel op hun mouw, wat wij als jongens prachtig vonden. De volgende dagen zagen wij nog veel militaire colonnes door ons dorp trekken. Ook hoorden en zagen wij grote groepen Duitse vliegtuigen overvliegen. 

Brand Rotterdam

Wij hoorden dat Rotterdam was gebombardeerd. Wat een rotstreek om een stad plat te gooien! Wij zagen veel verbrand papier in onze straten liggen, dat was overgewaaid uit de brandende stad Rotterdam.

Toen kwam het bericht dat Nederland had gecapituleerd. Sommige mensen waren boos, omdat onze koningin naar Engeland was gevlucht. Wij jongens vonden het prima. De koningin zou zelf wel weten wat het beste was, dachten wij. Er gebeurde veel, en overal zag je mensen staan praten. Voor ons was het leven mooi: geen school, prima toch? Wel gingen wij af en toe even bij de school kijken en kregen dan boeken mee om thuis te bewaren.

Enige dagen later kwamen de eerste moffen ons dorp binnenrijden. Wij zagen auto’s, kanonnen, rupsvoertuigen en vrachtwagens vol met soldaten, die het geweer tussen de knieën hadden. De hele dag trokken deze colonnes voorbij. De volgende dagen kwamen er ook troepen met paardentractie aan, huifkarren en keukenwagens en door paarden getrokken kanonnen. Deze troepen bleven en werden de bezetters van ons dorp. Wij zien ze op de foto marcherend op het schoolplein van de Verhoeff Rollmanschool.’

!