Erwin (links) en Ferry van Meurs, ambachtelijke slagers in hart en nieren.
Erwin (links) en Ferry van Meurs, ambachtelijke slagers in hart en nieren. Foto: Marlien van Leeuwen

Kleinschalig slachten geeft minder stress

Algemeen

REEUWIJK-DORP - Dat stukje vlees op ons bord, was niet zolang daarvoor een dier in de wei of in de stal. We genieten van de smaak. Maar hoe het dier aan zijn einde kwam, daar kijken we liever van weg. Eigenlijk hypocriet, toch? Dieren weten instinctief wat hen te wachten staat. De rit naar en de aankomst bij de -veelal- grote slachterijen bezorgd hen veel stress. Meerdere generaties lang wordt vakkundig geslacht in Reeuwijk-Dorp. Kleinschalig en met groot respect voor het welzijn van het dier. Vanaf het moment dat ze in de wei staan, tot en met hun laatste ademhaling.

door Marlien van Leeuwen

De opsomming van de voornamen van de vier generaties slagers van de familie Van Meurs uit Reeuwijk-Dorp duizelt. Everts, Fransen en varianten daarop. Evenals de generatie waarmee we nu in gesprek zijn; de broers Erwin en Ferry. Vanaf hun eerste herinnering gingen ze met hun opa Frans of vader Eef mee op pad. Mee naar het vee in de wei en mee naar de eigen slachterij, waar ze het slachtproces volgden tot en met de worstmakerij. Zo leerden ze van kinds af aan hoe je omgaat met vee. Met respect voor het welzijn van het dier. Alleen zo krijg je het beste stukje vlees in de vitrine. Net als hun voorvaderen zijn het slagers in hart en nieren die gedreven over hun vak vertellen. 

Thuis slachten

Voor zover bekend werd de eerste generatie slagers in 1870 geboren, namelijk Evert van Meurs. Een tijd waarin het slachten nog niet aan de huidige strenge regelgeving gebonden was. Veelal werd het vetgemeste varken bij de boer thuis geslacht. Als big kwam het dier in het voorjaar op het erf en eind november lag het in stukken verwerkt. Op een manier dat het vlees goed bleef zonder koelkast of diepvries (dat waren nieuwigheden die nog uitgevonden moesten worden). In 1902 heeft deze Evert van Meurs zich laten inschrijven als slager bij de Kamer van Koophandel. Zijn zoon Johan was veehandelaar. Zijn vee werd gestald in een schuur aan een zijpad van de Dorpsweg. In de volksmond het Kalverstraatje genoemd. Daar was een klein slachterijtje, Erwin kan zich de tegeltjes op de muur nog herinneren. Kaagjesland had toen nog een heel ander aanzicht. De familie kocht er een woonhuis met links ervan een klein winkeltje. Dat werd de slagerij van zoon Frans (van die eerste Evert). Het staat er nog altijd vlak voor de brug over de tocht. Achter het woonhuis werd de slachterij gebouwd en ingericht volgens de toenmalige 

normen.

Groenteboer

Zowel Erwin als Ferry van Meurs zijn van een generatie dat het niet vanzelfsprekend was in de voetsporen van je vader te treden. Erwin: “Als we met onze vader Eef over de Hogendoornlaan naar de boer reden, vroeg hij regelmatig wat we later wilden worden. Waarop wij steevast groenteboer riepen. Dan stopte hij de auto en moesten we uitstappen. Uiteraard stopte hij een eind verderop weer om ons erin te laten.” 

Mooi product

Vanwaar de fascinatie? Erwins ogen gaan glimmen als hij het over de koeien en varkens heeft die binnen komen, waar ze een mooi product van kunnen maken. Hij heeft zo zijn voorkeur en die ligt duidelijk niet bij schrale melkkoeien. “Daar zit geen vlees aan, dat zijn worstkoeien.”  

Het Lakenvelder- en Verbeterd Roodbont rund

Rassen met lekker vlees en een randje vet voor de smaak. Even verderop lopen de Lakenvelders in het weiland van Richard de Jong. Een gedrongen oudhollands koeienras wat het op schraal gras goed doet. Tegen de tijd dat het slachtrijp is weegt zo’n koe ongeveer 300 kilo. Het Verbeterd Roodbont rund heeft een (mooi!) klein randje vet. En ze is een maatje groter dan de Lakenvelder. Tegen de tijd dat dit ras slachtrijp is weegt het zo’n 500 kilo. De verschillen in smaak zijn duidelijk, volgens de slagers. Die smaak beschrijven is daarentegen lastiger. Je moet het gewoon proeven. 

Schoenen en andere grondstoffen

Eenmaal geslacht wordt het vlees verwerkt in het naastgelegen pand waar ook de worstmakerij is. En ook in de slagerij aan de Miereakker. Niets gaat verloren. De jassen van de koeien gaan naar de leerlooierij. Daar wordt de huid omgezet naar bruikbaar leer voor ónze jassen. En uiteraard wordt het leer ook gebruikt voor schoenen, banken en andere toepassingen. De beenderen worden opgehaald door Sonac, die van dat afval weer bruikbare grondstoffen maakt.

Jaren ‘80

Ferry slacht ook voor boeren uit de omgeving. Vervolgens verwerken ze dat vlees en wordt het in snel tempo diepgevroren. Alles voor de kwaliteit van de streekproducten. Het kleine keukentje in het gebouw waar het vlees verwerkt wordt, heeft van die typische jaren tachtig tegeltjes op de muur. Niet alleen de inrichting van het keukentje, maar eigenlijk is alles aan vervanging toe. De slagers zouden dolgraag investeren, maar de nieuwbouwplannen van het naastgelegen perceel weerhoudt hen.

Niet in mijn achtertuin

“Een slachtvergunning,“ zo menen de broers, “is terecht aan allerlei regelgeving gebonden. Het gaat om het welzijn van de dieren.” Er zijn nog maar weinig van die kleinschalige slachterijen in Nederland. Het fenomeen, niet in mijn achtertuin, ligt daar dikwijls aan ten grondslag. Dat het overgrote deel van de vleesetende bevolking wegkijkt als het om slachten gaat, weten de slagers. De plannen van de gemeente om zó dicht bij de slachterij te bouwen, baart hen grote zorgen. 

Dierenleed

De vleesverwerkingsindustrie waar het vee massaal geslacht wordt, bezorgt de dieren behoorlijk wat stress. Dierenleed wat voorkomen kan worden. Vanuit de wei, na een kort transport, zonder stress geslacht worden. Laten we die ene slachterij in onze gemeente dan behouden. Gewoon voor het welzijn van de dieren uit 

het Groene Hart.

Erwin aan het werk.
Het slachten gaat snel en vakkundig.

Advertentie

Categorieën