<p>Baanvegers zorgden voor een fijne baan om te schaatsen.</p>

Baanvegers zorgden voor een fijne baan om te schaatsen.

(Foto: )
Verhalen uit het archief

Zorg voor de armen, wezen en bejaarden in vorige eeuwen

  Historie

Vanouds werd de zorg voor armen, wezen en andere hulpbehoevenden door de overheid en vooral door de kerken verzorgd. Later ontstonden ook particuliere organisaties die zich bezighielden met zorg voor ouderen en hulpbehoevenden.

Er kwamen bijvoorbeeld speciale stichtingen die huizen oprichtten waar wezen, armen, zieken of ouden van dagen konden worden gehuisvest (weeshuizen, armenhuizen of hofjes).

Zorg voor armen en wezen
In de Reeuwijkse Reeks wordt beschreven hoe oud de armenzorg in Sluipwijk al is: uit 1473 is al bekend dat schout Van der Hee de opbrengst van een stuk land schonk als bijdrage voor de armen. Ook in latere eeuwen gebeurde dat nog regelmatig. Zo lieten de erfgenamen van Jan Ravensberg in 1797 een legaat van 600 gulden na aan de diaconie. In 1713 had de schout al geregeld dat er wekelijks huis aan huis werd gecollecteerd met de zogenaamde ‘armenbus’ in het ambacht van Sluipwijk.

In 1531 had keizer Karel V al verordend dat de zorg voor armen een taak voor de overheid was. Besturen van ambachten (dorpen) en polders stelden daarvoor ‘armmeesters’ aan. In de zestiende eeuw was er in ‘het Land van Steijn’ - een gebied bij de Oukoopsedijk en Twaalfmorgen - een ‘Fonds voor de armen van Stein’. Dit fonds haalde haar inkomsten uit aalmoezen, giften, collectes en de opbrengst van landerijen. In de Franse tijd ging dit fonds over naar het Burgerlijk Armbestuur. In 1870 werd Stein deel van de gemeente Reeuwijk, waardoor het Burgerlijk Armbestuur van Reeuwijk de beschikking kreeg over het Fonds van Stein. Nog steeds wordt jaarlijks een flink bedrag uit het fonds bestemd voor de echte minima in de gemeente. Sinds 2008 is het Fonds van Stein ondergebracht in een stichting.

In het boek ‘400 jaar Hervormde Gemeente Bodegraven’ van C. en G. Hamoen is te lezen hoe de zorg in de zeventiende eeuw in Bodegraven gesteld was. Uit archieven blijkt dat er in 1627 al een zogenaamd ‘Heilige Geesthuys’ was waar armen, wezen en hulpbehoevende ouderen werden verzorgd. De kosten voor de verzorging werden voor een groot deel door de diaconie van de kerk betaald. In de negentiende eeuw werd een weeshuis gevestigd in een pand aan de Kerkstraat. Dit pand ging verloren bij de grote brand van 1870. Er is nog een steegje in de Kerkstraat dat herinnert aan het weeshuis: de Weeshuisbaan. Naast deze organisaties leverden de rooms-katholieke en protestantse kerken ook hun eigen armenzorg.

Crisisjaren
Ook onze regio kreeg eind van de jaren twintig van de vorige eeuw te maken met de mondiale financiële crisis. In die jaren verdiende een landarbeider 15 tot 18 gulden per week. Voor huishuur van de meestal kleine woningen betaalde de arbeider een bedrag tussen de 2 en 4 gulden. Door een lange vorstperiode in de winter van 1929 waren veel mensen zonder werk gekomen, onder andere doordat er geen schepen meer konden varen. Er waren dus geen schippersknechten en laders en lossers nodig. Steun van het Rijk of de gemeente was er niet, de overheid vond crisishulp en armenzorg in eerste instantie een taak van de kerken.

Wel wilde de gemeente als de nood erg hoog was aanvullende hulp geven. In Reeuwijk werd bijvoorbeeld pap verstrekt aan werkelozen voor 4 cent per liter. In 1927 werd in Bodegraven een commissie benoemd die zich bezighield met de werkeloosheid. In de gemeenteraad werd door diverse raadsleden aangedrongen op meer steun, al was burgemeester C.S. van Dobben de Bruijn slechts een enkele keer te vermurwen. In november 1929 vroeg iemand die door ziekte niet kon werken, terwijl ook zijn vrouw zonder werk was, steun. Zij ontvingen van het R.K. Armbestuur 7,50 gulden steun en 3,60 gulden uit een invaliditeitsuitkering. Na lange discussie kregen ze ook 5 gulden per week extra steun van de gemeente. We weten niet hoe groot het gezin was. Bij latere regelingen ontving men 1 gulden extra per kind tot zes kinderen. Als mensen dertien kinderen hadden - niet ongewoon in die jaren - kregen ze toch maar 6 gulden. De gemeente nam in haar begroting voor 1930 een bedrag van 4000 gulden op voor armenzorg en 5000 gulden voor werkloosheidsbestrijding.

Het christelijk werkmansverbond Patrimonium ondernam in december 1929 actie om de vele werklozen tijdelijk werk te verschaffen. In de zomer had de organisatie hout en gereedschappen aangeschaft en met steun van de burgemeester had het Patrimonium een terrein met een schuur in bruikleen gekregen. Hier werd in december begonnen met het zagen van het hout tot brandhout als werkverschaffing voor de werklozen. Ook ijsclubs zorgden in de winter van 1932 voor werk voor een aantal baanvegers. Zij verdienden 2,50 gulden per dag (zie foto op de Oude Rijn).

Door Cock Karssen

Meer berichten