
10 mei 1940, de oorlog breekt uit
Historie Verhalen uit het archiefBODEGRAVEN - Op de mooie vrijdagmorgen van 10 mei 1940 worden de bewoners van onze dorpen om drie, vier en vijf uur, wakker gemaakt door het gedaver van vliegtuigen en het geluid van kanonnen en bommen.
door Cock Karssen
Redacteur C.G.Karssen schrijft later in zijn krant ‘Het Bodegraafsch Nieuws en Advertentie Blad’ het volgende: “Het kon slechts moeilijk tot ons doordringen wat dat allemaal betekende, maar we begrepen al spoedig dat het niet anders dan oorlog kon zijn en de radio berichten bevestigden het al spoedig. Toch is de volle omvang niet direct tot ons doorgedrongen, anders hadden wij niet zo rustig op straat staan kijken naar die machtige machines in de lucht. Pas later drong het tot ons door vooral toen tegen twaalf uur de eerste bom vlak in onze nabijheid naast de nieuw verkeersweg (de A12) ontplofte.
Nu blijkbaar het gevaar zo dichtbij was, moesten maatregelen worden genomen. Burgerwachten, soldaten, politiemensen en mannen van de luchtbescherming werden belast om te zorgen dat de bewoners thuis bleven en om het verkeer te regelen dat door de vele vluchtelingen uit de oorlogsgebieden, sterk was toegenomen. Zo zijn wij de donkerste Pinksterdagen ingegaan, waarbij de kerkgangers menigmaal moesten vluchten voor het gevaar uit de lucht. Ook trokken duizenden vluchtelingen door onze dorpen op weg naar opvang in Alphen aan den Rijn. De daarop volgende dinsdag is het ergste, er razen dan zes bommenwerpers laag over het dorp, wel meer dan een uur, men denkt dat Bodegraven het doel is, maar later blijkt dat zij een konvooi in de Zwammerdamse Vinkenbuurt aan het bombarderen zijn. Er wordt een enorme ravage aangericht en er komen 15 burgers om het leven waaronder twee Bodegravers.”
Ooggetuige
De 9-jarige Jan Griffioen heeft later in zijn dagboek beschreven wat hij als jongen meemaakte in die tijd: “Wij zagen veel Nederlandse soldaten naar het station gaan. Het waren reservisten die opgeroepen waren. De mannen gingen gepakt en gezakt hardlopend, met het geweer op de rug naar het station. Hier zagen wij in de drukte vrouwen die huilend afscheid namen, ook dat begrepen wij niet, wij konden ons geen voorstelling maken van de situatie.
Mijn vriend Jan van de Lagemaat die in de Prinsenstraat woonde kwam mij halen, en wij gingen op pad. Nauwelijks aangekomen op de Nieuwe Markt, waar wij naar de soldaten gingen kijken, hoorden wij het luchtalarm weer. Wij trokken ons er echter niets van aan, en zagen hoe de Rode Kruis soldaten volledig in alarmtoestand waren. Er werden auto’s gestart en paarden voor de ambulancewagens gespannen, waarna de colonne na enkele uren richting Leiden vertrok. Wij hoorden later dat de colonne door Duitse vliegtuigen beschoten is en dat er veel doden bij zijn gevallen. Ook het transportbataljon dat in gebouw Rehoboth was gelegerd vertrok uit ons dorp, met hun vrachtwagens.
Wij hoorden dat Rotterdam was gebombardeerd, wat een rotstreek om een stad plat te gooien. Wij zagen veel verbrand papier in onze straten liggen dat was overgewaaid uit de brandende stad Rotterdam.” Tot zover de eerste herinneringen van Jan Griffioen.
De krant vervolgt: “Vanuit het brandende Rotterdam arriveren er ook veel mensen die hulp en onderdak zochten. Dan volgt de grote klap: Nederland capituleert! Al snel op woensdagmorgen worden in Bodegraven de eerste Duitse soldaten gesignaleerd. Dat was een enkele wagen met een mitrailleur. Later volgde een enorme colonne auto’s en zware tanks vol met soldaten, voor een deel op weg naar het westen. Er kwamen Duitse Ortscommandanten, die direct al beperkende maatregelen afkondigen, fietsen en autorijden werden verboden.”











