
De gruwelijke verhalen van tewerkgestelden: getraumatiseerd of nooit meer thuisgekomen
Historie Verhalen uit het archiefNa de bevrijding stelden veel families de vraag: “Hoe is het met onze jongens en mannen die gedwongen in Duitsland moesten werken?” In 1943 bevolen de Duitse bezetters dat alle jongens en mannen die geboren waren tussen 1922 en 1924 zonder uitzondering over de grens dwangarbeid moesten verlenen. Een aantal van die tewerkgestelden dook onder en probeerde zo aan uitzending te ontkomen. Dit onderduiken was echter niet ongevaarlijk. Als je gepakt werd, dan eindigde je beslist in een kamp. Een van die ongelukkigen was Bodegraver Wim Uithol, hij overleefde zijn gevangenname niet.
door Cock Karssen
Wim zat ondergedoken bij de familie Dijkema in Drenthe. Hij is daar verraden en tijdens zijn werkzaamheden op het land is hij gearresteerd. Eerst werd Wim naar Leeuwarden gebracht en daarna naar concentratiekamp Neuengamme. Zover bekend is hij daar op 10 maart 1945 om het leven gekomen tijdens een bombardement van een schip waarop hij voer. Na zijn dood werd hij direct begraven in een massagraf in Flensburg, Neuengamme. De familie kreeg alleen een lege portemonnee en een ring terug uit Duitsland. Met hulp van dokter C. van Beek uit Bodegraven, die naar Neuengamme is gegaan, is hij daar toch geïdentificeerd en naar Nederland gebracht. Ook de zoon van zijn gastheer in Drenthe overleefde de oorlog niet.
Ziekte en bombardementen
De steden waar de jongemannen te werk gesteld werden, ondergingen vaak zware bombardementen. Daarbij zijn dan ook diverse jongens omgekomen, onder andere de broers Van het Hoog, A. Zijderlaan, H. den Neijsel en S. Van der Veen uit Bodegraven.
Ook kwamen er een aantal om door ziekte zoals Janus de Heer. Hij werd op 28 januari 1943 naar Oberndorf gestuurd, waar hij moest werken in de wapenfabriek van Mauser. Op 20 juni 1944 moest hij naar Balingen, waar hij te werk werd gesteld in een glasfabriek. Er heerste tyfus onder de arbeiders en ook Janus werd ziek. Hij werd op 11 juli 1944, naar het ziekenhuis in Balingen gebracht. Toen zijn moeder hoorde dat haar zoon ernstig ziek was, reisde zij af naar Balingen om hem te steunen. Na twee weken overleed Janus in het bijzijn van zijn moeder. Hij werd op 16 augustus begraven op het Niederländische Ehrenfeld (erebegraafplaats) voor oorlogsdoden op Waldfriedhof Oberrad in Frankfurt am Main. Er werd ook een kerkdienst gehouden waarbij behalve de moeder van Janus ook tachtig andere Hollandse jongens die daar werkten aanwezig waren.
Janus’ broer, Gijs de Heer, werd tewerkgesteld als vrachtwagenchauffeur bij een Duitse fabriek. Op 17 november 1943 is hij daar door de Staatspolizei gearresteerd en na een periode in de gevangenis doorgestuurd naar het concentratiekamp Flossenburg. Hij moest daar zwaar werk verrichten in een steengroeve, waardoor in dit kamp 40.000 gevangenen het leven lieten. Ook Gijs overleefde deze gruwelen niet en stierf drie dagen nadat het kamp door de Russen was bevrijd. Bijzonder aan dit verhaal is dat 67 jaar na zijn overlijden door zijn familie in Duitsland nog een koffer met zijn bezittingen en vele brieven in de fabriek zijn teruggehaald. De koffer was al die jaren keurig bewaard op de zolder van de fabriek en werd zo voor de familie de enige tastbare herinnering aan hun familielid. Ook Dirk van de Lagemaat kwam om door ziekte, zijn familie heeft na zijn overlijden de vele brieven die hij vanuit Duitsland heeft geschreven gebundeld.
Eef Overdam uit Reeuwijk-Dorp overleefde de dwangarbeid ook niet. Hij kwam te werken op een scheepswerf bij de Oostzee, waar hij al na drie maanden kwam te overlijden. Zijn familie verkeerde lang in onzekerheid over wat er was gebeurd. Eefs lichaam werd in 1944 herkend aan een nummer in zijn kleding. Helaas werd de plaats waar hij was begraven later vernield bij een bombardement door de Engelsen, waardoor er geen graf meer is. De familie heeft een boekje gemaakt over Eef en er is nu ook een brug naar hem vernoemd.
Spannende verhalen
Zij die de tewerkstelling wel overleefden, kwamen in 1945 terug met heftige verhalen. Jan van Velzen had bijvoorbeeld op een gasfabriek in Darmstadt gewerkt, waar het erg gevaarlijk geweest was door beschietingen overdag en bombardementen in de nacht. Kees van Doorn werkte bij een boer ten oosten van Berlijn toen hij door de Russen bevrijd werd. Hij werd vervolgens door hen gedwongen om 300 kilometer oostelijker in Polen te gaan werken. Toen hij op een gegeven moment kon vluchten, liep hij die 300 kilometer terug naar Berlijn.
De Groot uit Buitenkerk had in Brandenburg gewerkt en Streefland had drie maanden nodig gehad om weer in Bodegraven te komen. Hij was dan ook helemaal in Noord-Joegoslavië te werk gesteld, waar hij met de Partizanen te maken kreeg. Wim Beijeman had in Frankfort gezeten en heeft daar 25 zware bombardementen overleefd. In Bodegraven ging de vlag uit bij hun thuiskomst. Helaas gold dit voor zeker tien Bodegravers niet, zij kwamen nooit meer thuis.











