Pastoor Janus met rechts de kleding uit het kamp.
Pastoor Janus met rechts de kleding uit het kamp. Foto: archief

De verhalen van overlevenden van de concentratiekampen

Historie Verhalen uit het archief

Langzaamaan worden in de eerste maanden na de bevrijding verhalen bekend van inwoners uit Bodegraven-Reeuwijk die in de concentratiekampen waren opgesloten. De verschrikking dat 27 Joodse inwoners van onze dorpen waren vermoord, kwam ook langzaam aan het licht. Soms duurde het jaren tot er duidelijkheid kwam over slachtoffers. Maar er kwamen ook mannen en vrouwen weer levend terug.

door Cock Karssen

Pastoor Janus

Allereerst pastoor Janus; als pastoor van de Willibrorduskerk kreeg hij in 1942 inkwartiering van een Duitse onderofficier. Deze man was een fanatiekeling die van de pastoor eiste dat hij de portretten van de koninklijke familie van zijn muur haalde. Toen deze dat weigerde, werd hij hierom zonder vorm van proces gevangen genomen en naar een kamp in Amersfoort gestuurd. 

Na de oorlog heeft de pastoor al in juni 1945 zijn belevenissen voor volle zalen van het parochiehuis verteld, waarvan hier het verslag: “In een oud soldatenpak, met klompen en een kwartiermuts op, moesten wij allerlei oefeningen doen zoals ons languit op de grond werpen en uren op appèl staan. Ook moest ik in aardappels schillen. Het ergste hier was echter de mishandeling van de Joodse kampbewoners. Na een tijd werd ik echter doorgestuurd naar Duitsland, eerst naar de gevangenis in Keulen, toen naar Frankfurt en ten slotte kwam ik in Neurenberg terecht. De eindbestemming bleek echter Dachau te zijn.” 

De pastoor werd hier kaalgeschoren, in kampkleding gestoken en opgeborgen in een barak die alleen voor geestelijken bestemd was. Zij moesten kousen stoppen, kleding uitzoeken van mensen die vermoord waren en handschoenen maken voor de andere gevangenen. Na 2 jaar kwam de pastoor onverwacht vrij en terug in Nederland dook hij onder in Haastrecht. Uiteindelijk kwam hij weer terug naar zijn parochie in Bodegraven, waar hij op 5 mei de bevrijding meemaakte.

Rijk Jansen

Ook Rijk Jansen wist de kampen te overleven, wat een groot wonder genoemd mag worden gezien zijn ontberingen: om niet naar Duitsland gestuurd te worden dook hij onder, kwam in het verzet terecht en werd door verraad gepakt en opgesloten in Scheveningen. Na martelingen in deze beruchte gevangenis werd hij overgebracht naar de bunker in Vught. Hier hoorde hij dat hij ter dood veroordeeld was. Toch ontsnapte hij, zwaar ziek, aan het doodvonnis en werd naar Oraniënburg vervoerd. In de beruchte beestenwagens werd hij met vele anderen vier dagen zonder eten en drinken naar de bestemming vervoerd, gevolgd door een mars van 200 kilometers. 

In het kamp, waar allemaal vreselijke ziekten heersten, vermagerde hij erg en balanceerde hij diverse keren op het randje van de dood. De kampbewoners moesten werken in een Panzerfaustfabriek, die op 3 april 1945 zwaar gebombardeerd werd. Daarbij werd Rijk bedolven, maar weer uitgegraven door medegevangenen. Hij kreeg later nog een bijlslag in zijn rug, omdat hij een opdracht niet kon vervullen. Weer was hij bijna dood, maar ook dit wist hij te overleven. 

Toen de bevrijders steeds dichterbij kwamen, begonnen de Duitsers de gevangenen te verslepen, wat velen zoals de broer van Chiel Edelman (Leen) uiteindelijk noodlottig werd. Rijk wist echter voor die tijd te ontvluchten en liep gewond en in zeer slechte conditie 30 kilometer tot hij bij de Amerikaanse troepen aankwam. Hier werd hij zeer goed ontvangen en door een dokter geopereerd, waarna hij weer wat op krachten kon komen en 20 pond aankwam. Met hulp van deze Amerikanen wist Rijk ten slotte weer thuis te komen, waar hij al op 28 mei 1945 zijn verhaal in ‘De Kroniek’ vertelde. Rijk was een ‘man met vele levens’, die steeds weer op het nippertje wist te overleven!

Jouke Smits

Ook Jouke Smits, die lerares was aan de Nijverheidsschool in Bodegraven wist te overleven. Zij werd in de herfst van 1943 door een andere Bodegraver gevraagd koerierswerk voor hem te doen. Dat was G.J. van der Waal, die een heel belangrijke rol in het verzetswerk rond Rotterdam vervulde. Jouke was erg koelbloedig en durfde heel gevaarlijke transporten aan zoals het vervoer van pistolen. Onder de schuilnaam ‘Clara’ heeft zij zo gewerkt tot juni 1944, toen liep zij door verraad in de val. Via concentratiekamp Vught werd zij naar Ravensbruck vervoerd en nog later naar een munitiefabriek bij Dachau, waar zij uiteindelijk de bevrijding beleefde.

Het Joodse meisje Joseph, een nichtje van de familie Jonas, wist eerst Vught en later het kamp Auschwitz te overleven en werd daar bevrijd door de Amerikanen. Volgens onderzoek van Maatje uit Reeuwijk zijn er geen niet-Joodse inwoners uit de andere dorpen in concentratiekampen opgesloten geweest.

Advertentie

Categorieën