
Het Bonte Varken en de Melksalon
Historie Verhalen uit het archiefBODEGRAVEN - In vroegere tijden kende Bodegraven diverse cafés. Het bekendste en ook oudste is Het Bonte Varken. Al in de 16e eeuw stond op deze plaats aan de Markt café De Swaen. Op een gravure uit 1759 is zelfs het uithangbord met een zwaan te zien. Later veranderde de naam in Het Hemels Paradijs en uiteindelijk in Het Bonte Varken.
door Cock Karssen
Eigenaren waren onder anderen Van Bentum, Veelenturf, D. Couperus, P. Vink en J. Jelluma. Zij waren tevens pachters van de gemeentelijke waag. Op marktdagen was het er dan ook druk, omdat er vette kaas en vooral ook varkens werden gewogen. (Er was destijds een varkensmarkt in Bodegraven.) Bekend is dat de organist van de Dorpskerk, Van Rossum, in de 19e eeuw tijdens de preek graag even wat ging drinken in het café tegenover de kerk. Ook diverse verenigingen vonden er onderdak, zoals de dam- en schaakclub.
De Bodegraafse schilderskolonie – rond 1940 bestaande uit J. Akkermans, C. Veelenturf en C. Twaalfhoven – verbleef er graag. In de donkere oorlogsjaren maakten zij het café gezelliger met muurschilderingen. Op een film uit 1960 is hiervan nog iets terug te zien. Achter het café bevond zich een grote paardenstal. Vooral tijdens de kaasmarkt op dinsdagochtend werden daar veel paarden gestald. De kaasbrikken stonden dicht naast elkaar, waarna de paarden naar de stallen in het dorp werden gebracht.
De Melksalon
Schuin tegenover het café, aan de overkant van de Markt, stond Het Volkslokaal, beter bekend als de Melksalon. De laatste naam was waarschijnlijk te danken aan het feit dat er geen alcohol werd geschonken; de salon was opgericht op initiatief van geheelonthouders. Initiatiefnemer was I. Hoogendoorn. Later zetelde er de weduwe Mak en als laatste mevrouw Snaterse. In 1904 en 1908 hield het Algemeen Jongelingsverbond uit de Rijnstreek er zijn vergaderingen: een veilige plek voor jongelingen, zonder alcohol. Mevrouw Floor Hoogendoorn vond in de familiepapieren een verslag van haar voorvader over de oprichting en de 29 jaar van het Volkslokaal. Enkele verhalen daaruit volgen hier.
In 1898 werd in Bodegraven de Nationaal Christen Geheelonthouders Vereniging opgericht. In het hele land ontstonden zulke verenigingen ter bestrijding van drankmisbruik, dat veel sociale problemen veroorzaakte, vooral bij arbeiders. De organisatie wilde graag een eigen pand inrichten om haar principes in de praktijk te brengen. In 1900 kwam die kans: de oude wagenmakerij van Van ’t Riet aan het Marktplein, die al twee jaar leegstond, werd aangekocht. Het pand werd verbouwd tot een ruim logement en koffiehuis met niet-alcoholische dranken en etenswaren, plus een vergaderruimte.
Op 7 november 1900 vond de opening plaats. In het verslag staat dat er “een geelkoperen koffyfiltreer” prijkte op de toonbank. De heer T. van der Lede was de eerste zetbaas. In het begin maakten de kasteleins van de cafés in het dorp zich vrolijk over het nieuwe koffiehuis, maar al snel bleek dat er veel gebruik van werd gemaakt. Vooral tijdens de wekelijkse boerenkaasmarkt zat het lokaal vol, met zo’n 50 bezoekers. In de winter van 1900 werden op de tweede verdieping drie logeerkamers ingericht. Op de begane grond vonden veel vergaderingen plaats, soms zelfs met lichtbeelden. In de ontbijtkamer gaf een juffrouw uit Utrecht wekelijks kniples.
In 1903 besloot men ook een eigen paardenstal voor 35 paarden te bouwen, met daarboven een grote vergaderruimte. De stal bleek geen succes, omdat men de voorkeur gaf aan bestaande stallen in het dorp. De vergaderruimte daarentegen werd veel gebruikt voor bruiloften en partijen. De laatste uitbaters waren John Snaterse en weduwe H. Mak. Toen met de aanleg van het nieuwe marktterrein ook een vergaderruimte in Het Beursgebouw werd gerealiseerd, sloot het Volkslokaal in 1929. Het gebouw met poort werd verkocht aan C. Vreeken. Voor de huidige nieuwbouw aan de Markt is alles gesloopt. Het pand van Het Volkslokaal was in de loop der jaren al onherkenbaar verbouwd.











