Verhalen uit het archief, Door Cock Karssen Poldermolens houden land droog

Algemeen

Om het veenweidegebied te ontginnen, werden al in de 11e eeuw sloten gegraven om het land te ontwateren. Via de veenriviertjes en later de beide Wierickes werd het water afgevoerd naar de Oude Rijn en de Hollandse IJsel. Het bestaande veenpakket klonk echter in, wat betekende dat het lager kwam te liggen, en het water niet meer naar de hoger gelegen veenriviertjes kon worden afgevoerd. Er moest een andere manier gevonden worden om het water af te voeren. Dat werd de windmolen. Al in 1407 werd de eerste windmolen in ons land daarvoor gebouwd. De waterschappen in onze polders volgden al snel met het bouwen van deze poldermolen (zie Rhijnlandse kaart uit 1687). De eerste molen in onze polders werd al in 1445 in de Noordzijderpolder gebouwd die het water met een scheprad uit de polder omhoog schepte en via de gegraven wetering op de Oude Rijn loosde, later kwam hier nog een extra molen bij.

De molen in de Meijepolder volgde in 1490. Deze molen maalde het water weg aan de oostkant van het riviertje de Meije. Aan de westkant loosden de sloten rechtstreeks op het riviertje; deze loosde het water verder weer in de Ziende. Aan de Ziende uitmonding heeft in 1382 ook een sluis gelegen. Bij grote polders waren soms drie molens nodig om het water, via drietrapsbemaling, steeds verder omhoog te brengen.

Ten zuiden van ons dorp, was er een dergelijke molendriegang, aan de Vliet, nu staat daar gemaal Bulaeus Brack. Deze molens moesten samen met een molen aan de Hollandse IJssel bij Gouda zorgen dat het water uit de Reeuwijkse polder werd gemalen. Rond 1875 zijn deze molens afgebroken en in 1898 werd het genoemde gemaal gebouwd. Omdat rondom Bodegraven- Reeuwijk polders liggen, waren er hier ook veel molens te vinden. De molens aan de Noordzijderpolder waren, samen met de Meijepolder molen, nodig om deze diepe polders, 2 meter 60 onder N.A.P, droog te houden. Aan de noordkant was er ook nog een molen voor de polder Weiland en de Bree. Aan de zuid westkant was er een molen voor de Dampolder, de drie molens voor de Reeuwijkse polder, een molen bij Vrije Nesse in Oud Bodegraven en oostelijk een molen voor de Zuidzijderpolder en tenslotte de molen voor de Weijpoortse polder en voor de Lange Weide. Nog meer naar het oosten was bij Korte Waarder ook een molen, de Westeinder molen, gebouwd in 1687. Ook in de polder Randenburg, de meest westelijke polder van Reeuwijk hebben twee molens gestaan, de grote en de kleine molen. De polder Middelburg vormt een uitzondering, deze werd in 1802 uitgeveend, en daarna drooggemalen door twee molens die na tien jaar al vervangen werden door een stoomgemaal, dat ook de Tempelpolder droog houdt.

De Zuidzijderpolder molen werd gebouwd in 1480. Deze molen loosde op de IJssel via een watergang die parallel liep aan de Enkele Wiericke. Twaalf jaar later kwam er een bergboezem bij die het opgepompte water verzamelde als er niet op de IJssel geloosd kon worden. In 1529 werd er nog een molen bij deze boezem gebouwd, de Gravekoopsemolen, om het water naar de Wiericke te lozen. Deze molen stond aan de Prinsendijk. Deze molen is in 1946 gesloopt, die aan de Vliet bij de Zuidzijde in 1912. De Oukoopse molen werd in 1529 gebouwd en gebruikte in het begin hetzelfde afwaterkanaal als de molen van de Zuidzijde.

Ook nog steeds aanwezig is de Weijpoortsemolen, nu gelegen naast de Put van Broekhoven. Deze molen werd in 1564 gebouwd om de polder Weijpoort te bemalen.

Zoals alle molens in de omgeving van de Oude Rijn is ook deze molen in 1672 zeer waarschijnlijk door de Franse troepen afgebrand. Zij is in 1674 weer opgebouwd en bleef in bedrijf tot 1977. Samen met de Oukoopse molen zijn dit de enige molens die nog bestaan, al hebben zij geen actieve functie meer. Zij worden soms nog ingeschakeld bij overvloedige regenval. In de 19e eeuw werden de meeste molens vervangen door stoomgemalen. Op de Rhijnlandse kaart uit 1687 zijn de molens, met stippen, te zien.

Advertentie

Categorieën