Logo kobr.nl
Foto:
Verhalen uit het archief

Verhalen uit het archief Door Cock Karssen: Joodse slachtoffers in onze regio

Op 4 mei zijn in onze gemeente de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog herdacht. Daarbij zijn ook de vele Joodse slachtoffers herdacht.

In Reeuwijk woonden geen joden van Nederlandse oorsprong. Wel hebben er tijdens de oorlogsjaren diverse joodse vluchtelingen uit Duitsland of andere delen van ons land in pensions of huurhuizen gewoond. G.A.F. Maatje heeft dit later uitgezocht, en toen bleek dat er in de periode van 1940-1945 een aantal van 28 Joden onderdak in Reeuwijk had gevonden. Helaas hebben niet allen de oorlog overleefd. Een groot deel werd verraden of ontdekt en werd afgevoerd naar de vernietigingskampen. Zover bekend zijn 13 van hen in deze kampen omgekomen. Elf personen hebben de oorlog gelukkig overleefd, van een viertal is het niet bekend.

De Meije huisvestte in de oorlogsjaren vele onderduikers, onder wie ook heel wat Joden. Zover bekend hebben zij allen de oorlog overleefd.

De familie Gans (foto) woonde al ruim 30 jaar in Bodegraven toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Ook Joods was de heer Jonas; het echtpaar was al voor 1940 uit Duitsland naar Bodegraven gevlucht, hoewel zijn vrouw 'Rijks Duits' was, in de hoop hier veilig te zijn. In 1941 kwamen veel Joodse burgers uit Scheveningen naar ons dorp, omdat door razzia's en evacuatie in die plaats het leven voor hen gevaarlijk geworden was. Een tiental gezinnen van deze evacués werd gehuisvest in een leeg pand van strohandel Breedijk aan de Noordzijde. Via de ondergrondse wisten de meeste van deze gezinnen aan onderduikadressen te komen, waarna zij met de 'noorderzon' vertrokken. Alleen de gezinnen Herzog en Ruschkewitz bleven. Het verzet hielp hen aan de benodigde stamkaarten en distributiebonnen.

Begin 1942 werd de druk op de Joodse burgers steeds zwaarder: Zij mochten niet meer autorijden of fietsen, er kwam zelfs een compleet reisverbod en zij mochten hun beroep niet meer uitoefenen. Ook werd er een avondklok voor hen ingesteld. Iets later kreeg iedereen het bevel om een grote gele Davidsster op de kleding te naaien, terwijl er in het persoonsbewijs een J werd afgedrukt.

In 1942 volgden de oproepen aan de Joden om zich te melden voor het kamp Westerbork en voor het uiteindelijk 'te werk stellen' in Duitsland. Op deze oproep werd door de betreffende families verschillend gereageerd. De heer Jonas kwam met hulp van dokter Van Beek in het ziekenhuis terecht, waar hij even veilig was, daarna weten hij en zijn vrouw onder te duiken met behulp van kapper L.van der Berg. Zij overleven de oorlog. De heer Herzog trok de ster van zijn kleding en durfde het risico te nemen om per bus naar Noord-Holland en later naar Rotterdam te reizen en wist daar onder te duiken. Ook hij overleeft de oorlogsjaren. De families Gans en Ruschkewitz vertrokken niet en bleven in Bodegraven om verschillende redenen.

Ernst en Ruth Ruschkewitz en hun zoontje Jantje waren in 1935 uit Duitsland gevlucht, waar de familie van Ernst een groot warenhuis bezat. Ernst kreeg een goede baan in Den Haag, maar in 1940 werd de grond hem daar ook te heet onder de voeten, waarna zij naar Bodegraven verhuisden. Zij probeerden nog te emigreren, maar dat lukte niet meer. Ruschkewitz, die goede contacten in den Haag bezat, en een vermogend man was, kocht daarna voor duizend gulden per persoon stempels op de persoonsbewijzen. Hij hoopte op deze manier te ontkomen aan deportatie. De dure stempels in de persoonsbewijzen hebben niet geholpen, de familie werd afgevoerd naar Westerbork en al snel doorgestuurd naar Auschwitz. Moeder Ruth en Jantje werden daar al op 26-10-1942 vermoord. Ernst heeft bijna de hele oorlog overleefd in diverse werkkampen. Hij was te werk gesteld en heeft in het geheim een dagboek bijgehouden in het kamp Blechhammer. Dit dagboek is later opgedoken. Ernst heeft zelfs de voettocht overleefd die de laatste overlevenden van het kamp in de eerste wintermaanden van 1945 moesten maken. Maar op 31-3-1945 is hij in Buchenwald alsnog vermoord.

Over het lot van de joodse familie Gans is meer bekend dan van de andere families. Eind april 1942 kwam het bevel waarin de 5 nog thuis wonende kinderen werd bevolen zich te melden in Westerbork. Het gezin kreeg vanuit het plaatselijke verzet de aanbieding om onder te duiken, ook hebben diverse notabelen uit het dorp hen gevraagd om zich niet te melden. De kinderen Gans wilden echter niet gescheiden worden van hun ouders en apart onderduiken. Bovendien geloofden zij de mooie beloften waarin hen werd voorgespiegeld dat zij een goede baan zouden krijgen in Polen. Er werd hen verteld, dat de meisjes tewerkgesteld zouden worden als kamermeisjes. Met de wetenschap van nu lijkt dit zeer naïef, maar men wist toen nog niets van de verschrikkingen die er zouden komen. Op 14 augustus 1942 vertrokken Levi (22), Mirjam (23), Liesje (17), Froukje (26) en Coen (20) met de bus naar Gouda en vervolgens met de trein naar Westerbork. Na het vertrek van hun kinderen op 14 augustus 1942 bleven de ouders achter, het was echter uitstel van executie, want op 19 oktober kwamen ook zij aan de beurt.

Hoewel de ouders hoopten dat zij hun kinderen in Westerbork nog zouden zien, is bijna zeker dat de kinderen al waren doorgestuurd.. Twee dochters waren voor de oorlog al getrouwd met niet-Joodse mannen. Judith die getrouwd was met aannemer Tak en Henriette die getrouwd was met Van der Meent krijgen ook een oproep om zich te melden, maar beide weten door onder te duiken aan de vernietiging te ontkomen. Na de oorlog emigreert de familie Van der Meent (zij hadden inmiddels twee dochtertjes) naar Canada. Judith laat ter herinnering aan de wegvoering een herdenkingssteen aanbrengen aan het huis op de Emmakade. Voor het huis aan de Emmakade zijn een paar jaar geleden Stolpersteinen aangebracht.

Meer berichten