<p>Ter leniging van de nood werd een kleurenprent van de brand gemaakt met een geromantiseerd beeld van de ramp.</p>

Ter leniging van de nood werd een kleurenprent van de brand gemaakt met een geromantiseerd beeld van de ramp.

(Foto: )
Verhalen uit het archief

Enorme brand verwoest half Bodegraven

Na de verwoestingen door de Franse troepen in 1672 wisten de bewoners Bodegraven weer op te bouwen tot een welvarende plaats. In 1732 telde men 346 huizen. Dat waren er 200 meer dan in 1632. Er waren lijnbanen, zaagmolens, een hoedenmakerij en fabrieken voor houten zolen en hakken. Op afbeeldingen uit die tijd ziet het dorp er welvarend uit, en dat klopt ook wel. Het werd toen niet voor niets ‘Het Deftige Dorp’ genoemd.

In het boek ‘Het Koninkrijk der Nederlanden’ van Terwen uit 1858 wordt Bodegraven als volgt beschreven: ‘Het dorp is aan de noordzijde zeer fraai, bevat 2600 inwoners, waarvan er nagenoeg 1100 in de kom van het dorp wonen, en meestal van landbouw, het maken van boter en kaas en van de drukke doortogt leven. Er zijn ook enige kleine fabrieken.”

De Van Tolstraat werd bij de hoek met de Brugstraat aan de noordkant van de straat bijna helemaal ingenomen door het grote complex van de kostschool van meester Van Buren, die tot in de Brugstraat zelf doorliep. 

Ooggetuigenverslag

Bijna alle daken van de huizen in Bodegraven waren bedekt met riet, een feit dat een grote rol speelde toen op 31 mei 1870 brand uitbrak! Bakker Mol van de bakkerij aan de Overtocht (nu Bussink )was vertrokken om brood uit te venten. Zijn huisgenoten hadden niet in de gaten dat spaanders die op de oven lagen te drogen, vlam hadden gevat. In minder dan geen tijd stond de bakkerij in lichterlaaie, terwijl er een harde westenwind stond. 

Het gevolg was verschrikkelijk. Dankzij een handgeschreven verslag van opperbrandmeester Dirk Turkenburg is de ontwikkeling van deze brand van uur tot uur vast gelegd. Turkenburg, de oprichter van Turkenburgs Zaadhandel, woonde aan de Kerkstraat tegenover de kerk, waar de handpomp gestald was. Toen hij het bericht kreeg dat er brand bij Mol was, vloog hij met H. van der Vlist, die bij hem aan het werk was, naar de handpomp. Zij duwden het gevaarte via de houten brug door de Brugstraat naar De Tocht (Van Tolstraat):

“De éne spuit werd dus aan de Rijn gezet en de andere westelijk van het felle vuur, terwijl de wind hard noordoost woei. Na een half uur flink gewerkt te hebben, zei ik tegen Van der Giesen: ‘We winnen merkbaar.’ Even later komt plotseling het geroep: het rieten dak van Koops de wagenmaker begint te branden! ’t Had weken gedroogd met een zuidwestenwind, zodat het riet vlamvattend in enkele minuten ’t hele dak tot één vuurzee maakte.”

Eén grote vuurzee

Het was nu wel duidelijk dat als er geen wonder gebeurde, Bodegraven door een grote ramp geteisterd zou worden. Het helse vuur moest nu op twee fronten worden bestreden: ten zuiden en ten noorden van de Rijn. 

Het verslag gaat verder: “Wij braken weer op en spoedden ons de brug over naar de overkant. Onbegrijpelijk snel had de brand zich onderwijl uitgebreid. Inmiddels werd ook hier de toestand hachelijk, door rondvliegende rietvlokken en de felle wind werden ook hier meerdere huizen aangestoken. Het weeshuis vatte vlam, en de ernaast liggende leerlooierij, zodat de spuit moest terugtrekken tot bij de Lutherse kerk. De Kerkstraat was één vuurzee.

Aangewakkerd door de wind sloeg de brand over naar de andere kant van de Brugstraat. Vanaf de apotheek tot Hotel van Haaften stonden alle huizen in lichterlaaie. De huizen aan de zuidkant van de Wilhelminastraat vlogen nu ook in brand, doordat het rieten dak van de apotheek naar beneden kwam. In de Noordstraat brandde het ook door. Het vuur werd tot stand gebracht bij de bomenlaan van Breekland.”

Hulp uit de regio

De Bodegraafse brandweer bestreed het vuur niet alleen. Er kwam versterking van de spuit uit Zwammerdam, uit Nieuwerbrug, Woerden en Alphen. Zelfs uit Aarlanderveen was men komen helpen. Ook de soldaten van de Wierickerschans waren met twee spuiten uitgerukt. Totaal waren er elf handpompen in de strijd. Ondanks dat zijn er 100 huizen verwoest,  werden 130 gezinnen dakloos en waren er twee doden te betreuren.

De Bodegravers hadden de nacht doorgebracht opgepropt in de huizen en schuren die overeind waren gebleven. Er kwamen legertenten uit Gouda die op de Markt werden opgesteld. Waarschijnlijk waren deze tenten afkomstig van het Ministerie van Oorlog. Er waren door koning Willem de Derde ook generaalstenten gestuurd, met inventaris, maar deze werden al op 8 juni door burgemeester Van Dam teruggestuurd, aangezien deze twee tenten alleen door voorname ingezetenen bewoond mochten worden. Deze bewoners hadden kennelijk al een onderdak buiten Bodegraven gevonden.

Meer berichten