
Boeren met overtuiging
AlgemeenReeuwijk
Jan en Leny van Leeuwen runnen al jarenlang een biologisch agrarisch bedrijf, onder de naam ‘Maatschap van Leeuwen’, aan de Oud Reeuwijkseweg nummer 8 in Reeuwijk. Aanvankelijk als melkveebedrijf en kaasmakerij, waar Leny veel succes mee had. Een aantal jaren geleden zijn zij overgeschakeld op een ander verdienmodel, gebaseerd op vleesvee. Het bleek een succesformule. Een toenemend consumentenbewustzijn, de coronacrisis, hieronder vertellen zij hoe het allemaal bij elkaar komt.
door Loes Kamer
Pionieren met vallen en opstaan
Vanaf 1977, het jaar waarin zij trouwden, zijn zij samen werkzaam op de boerderij, dat toen nog een traditioneel bedrijf in handen van de ouders van Jan was. Leny heeft het kaas maken van haar schoonmoeder geleerd, een vak waar zij later veel prijzen mee in de wacht gesleept heeft. De kazen werden verkocht op de markt en later, nadat het bedrijf in 1980 door Jan en Leny overgenomen en biologisch geworden was, ook geëxporteerd naar Duitsland.
Jan vertelt over de beweegredenen om biologisch te gaan boeren: “We zagen het steeds meer aan het gras en aan het land, dat er dingen veranderden die niet goed waren. Het werd in de winter te nat en in de zomer te droog. De structuur van de bodem verslechterde, het gras verbrandde op de plekken waar de koeien hun urine eroverheen hadden laten gaan, de gier was te scherp. Meteen na de overname zijn we biologisch geworden. Eerst met het Skal keurmerk, later werd dat EKO.” In die tijd waren biologische bedrijven uitzonderlijk. Het was pionieren, uitproberen en zelf ervaring opdoen. Voorlichtingsmateriaal waren er nauwelijks. Omliggende bedrijven keken met argusogen toe. Leny: “Het moet in je zitten, je overtuiging zijn. We aten al biologisch. Eigenlijk was het heel vanzelfsprekend dat we ook biologisch zouden gaan boeren.”
Vanaf dat moment werden er geen kunstmest en bestrijdingsmiddelen meer gebruikt. Jan: “Het ging niet meteen de goede kant op. Het gras en de bodem hadden tijd nodig om zich aan te passen. Er kwam steeds weer ridderzuring op, dat was ongewenst en moest allemaal met de hand uitgestoken worden, heel veel extra werk.” Pas na enige jaren ontstond de verwachte balans.
In biologische bedrijven wordt geen salpeterzuur gebruikt om voor het proces schadelijke bacteriën te doden. Leny: “Je moet al heel hygiënisch werken maar zonder salpeterzuur luistert het allemaal nog nauwer.” In het begin was er nog maar een kleine afzetmarkt voor biologische kaas. “Kaas maken deden we in het begin alleen ‘s zomers, als de koeien buiten liepen en de kaas zachter is en meer kleur heeft.” In de winter werd toen het grootste deel van de melk afgezet naar gangbare melkfabrieken voor een relatief lagere prijs per liter. Later, toen de vraag naar biologische kaas toenam, maakten ze ook ’s winters kaas en werd alle melk gebruikt voor de kaasmakerij.
Omdat de biologische markt in die tijd in opkomst was, waren er ook regelmatig tegenslagen. Jan: “Het gebeurde soms dat we een partij kaas hadden geleverd aan een bedrijf dat failliet ging. Dan hadden we een financiële strop. Toch hebben we dat altijd allemaal op weten te vangen.”
In 2007 werd gestopt met het maken van kaas. Hoewel er nog veel vraag was naar biologische kaas, was de afzetmarkt voor biologische melk intussen zodanig gegroeid dat alle melk voor een billijke prijs naar de melkfabriek kon. De kaasmakerij was erg arbeidsintensief, werkdagen van twaalf tot veertien uur waren geen uitzondering, wanneer er gekuild moest worden nog langer. Ze konden het iets rustiger aan gaan doen.
Ander verdienmodel: vleesvee
In 2016, Jan was inmiddels 68 jaar, werd overgeschakeld op het fokken en houden van vleesvee. Er waren geen kinderen die het bedrijf over wilden nemen en Jan had nog geen zin om te stoppen. “Vleesvee hoeft niet gemolken te worden, ons vleesvee krijgt geen krachtvoer, dat scheelt allemaal veel tijd en moeite. We houden hier nu gemiddeld zo’n twintig koeien en ossen. Op deze manier blijven we toch bezig.” Leny vult aan: ”En we willen ook weleens eens dagje weg of een week of een week met vakantie, dat is nu veel gemakkelijker te realiseren, de dieren hoeven alleen maar gevoerd te worden.”
Regelmatig laten zij een van hun koeien slachten door een slager. Het vlees wordt verwerkt tot verschillende producten en diepgevroren aan huis verkocht.
Aanvankelijk bestond de klandizie vooral uit mensen uit de directe omgeving, inmiddels hebben velen vanuit de wijde omtrek deze duurzame vleesleverancier ontdekt en kan de
capaciteit van het bedrijf de vraag nauwelijks nog aan. Leny: “Steeds meer mensen worden zich bewust van wat ze eten, hoe het geproduceerd wordt en wat er allemaal bij komt kijken. De trend om het dichter bij huis te zoeken is vooral sinds de coronacrisis toegenomen. Weliswaar wordt steeds minder vlees gegeten, maar dan moet het wel goed, eerlijk en verantwoord zijn. En omdat er geen tussenhandel is, blijft het betaalbaar.”










