Logo kobr.nl
Foto:
Verhalen uit het archief

Verhalen uit het archief: Conflicten en een Franse school

  Historie

In de zeventiende eeuw waren er vaak conflicten tussen de besturen en de onderwijzers. Ook was er in Bodegraven een speciale school voor vooraanstaande families.

Door Cock Karssen

In het boek van Bert Stolwijk ‘Al wie zoet naar school toe gaat’ is te lezen dat er al in 1595 ruzie was over de benoeming van een onderwijzer in Bodegraven. De hervormde predikant, de schout en de baljuw van Woerden beklagen zich bij de Staten van Holland en West-Friesland over de aanstelling van een nieuwe schoolmeester door de Ambachtsbewaarders van Bodegraven (een soort gemeentebestuur). Zij vonden de 23-jarige Cornelis Harmenszoon totaal ongeschikt voor het vak en ook voor de daarbij horende kerkelijke functies. Zij wilden liever de meer ervaren schoolmeester Adolf Pieterszoon Doen benoemen. Uiteindelijk werd de laatste benoemd als onderwijzer voor de jongens en de jeugdige Cornelis als schoolmeester voor de meisjes, omdat hij verder onbekwaam was bevonden. Onderwijs aan de meisjes was van minder belang, dus daar mocht hij nog wel terecht.

In het boek van Stolwijk zijn meer interessante verhalen te lezen over dergelijke conflicten. Een voorbeeld hiervan is de verkiezing van een nieuwe schoolmeester na de dood van Roelof van Dobben, die van 1674 tot 1712 naast schoolmeester ook voorzanger, voorlezer en doodgraver was in Bodegraven. Na zijn overlijden ontstaat er een groot conflict tussen schout Daniël van Beke en de kerkenraad over de benoeming van de nieuwe schoolmeester. De liberale schout en de rechtzinnige dominee Van Breemen blijven tot aan 1729 in conflict over de benoeming, ondanks een rechtszaak.

Kostschool of Franse school
Vooraanstaande families in Bodegraven, zoals de families Ter Meulen of Breekland, stuurden hun kinderen niet naar de dorpsschool, maar naar de Franse School in Zwammerdam. Zij waren daar in ‘halve kost’, wat betekende dat zij daar in de middagpauze eten van de school kregen. De 7-jarige Pieter moest in 1850 elke dag heen en weer naar Zwammerdam lopen. Pieter beschrijft in ‘Bodegraviana’ dat hij zich op deze school de fabelleer moest ‘inprenten’ zonder dat hij er iets van begreep. Hij vond dat meester Rijnenberg beter wat kon vertellen over de plaatselijke geschiedenis, zoals de strijd tegen de Fransen in 1672. Hij schrijft: “De school was in zoover niet kwaad, dat alle jongens er wel pret konden maken, maar of er veel geleerd werd, betwijfel ik. Wij leerden aardrijkskunde uit een boek zonder kaart, mijn rekenboek was geheel en al ‘ezelsoor’. Een uur na de middagmaaltijd verscheen de meid met een emmer water en een kommetje waarmee zij rond ging langs de banken. Mijn moeder vond dit geen frisse manier. Er werden op school weinig klappen uitgedeeld, maar eens sloeg de bovenmeester bij een paar jongens de liniaal stuk.”

Pieter vertelt ook dat er toneeluitvoeringen en kunstavonden werden gehouden in de school. Na zes jaar kwam Pieter als dagscholier op de Roomse kostschool in de Brugstraat in Bodegraven terecht. Deze school, onder leiding van G. Boot en later van J. van Buuren, stond goed bekend. Vanuit heel het land stuurden vermogende families hun kinderen naar deze kostschool. Pieter ter Meulen had echter een andere mening over deze school: “Het was een ellendige school, waar dom en somber wantrouwen de grondslag der opvoeding scheen. Nog verheug ik mij van harte dat de school in 1870 bij den grooten brand, die schier het geheele dorp in de asch legde, mede in vlammen is opgegaan. Wat zou ik dat gaarne hebben bijgewoond, die blijdschap van de jongens.” Op de foto zijn de ruïnes na de brand te zien.

Meisjesschool
Pieter vertelt ook nog dat zijn kleine zusje naar een brei en naaischooltje werd gebracht en dat er later zelfs een speciale meisjesschool op het dorp kwam. De schoolgebouwen waren over het algemeen primitief ingericht, met stro of zand op de vloer en vaak zonder verwarming. De kinderen, meestal alleen jongens, kwamen lopend over onverharde wegen op hun klompen naar school.

In de bedompte klaslokalen waar men met kinderen van verschillende leeftijden in één lokaal bivakkeerde, schreven zij, als er papier was, met de ganzenveer of er werd een leitje gebruikt.

Meer berichten