Boerenfamilie Verduin
Boerenfamilie Verduin

Verhalen uit het archief Door Cock Karssen Boerengemeenschappen ontwikkelden het landschap

Algemeen

Bodegraven-Reeuwijk- Bodegraven-Reeuwijk is aan alle kanten omringd door weilanden met veel boerderijen. De honderden boeren die hier in de loop der eeuwen hebben gewoond, zijn van grote invloed geweest op de ontwikkeling van het landschap, en ook op de ontwikkeling van onze dorpen zelf.

Wanneer wij terugkijken naar de oudste geschiedenis van deze streek, dan komen wij terecht in de tijd van de Romeinen, ongeveer 60 jaar na Christus. Bij deze nederzetting vestigden zich ook streekbewoners, de Kaninefaten, die waarschijnlijk in hutjes van hout en riet op de oevers van de rivier woonden. Bij opgravingen eind van de vorige eeuw zijn allerlei beenderen gevonden van runderen, schapen, geiten en ook van otters, elanden, edelherten en marterachtigen. Er zal dus bij de rivier enige vorm van veeteelt zijn geweest, terwijl in de wildernis de otters en edelherten nog vrij spel hadden.

Na het jaar 260 verdwenen de Romeinen, waarna ook de streekbewoners het veld ruimden, waarschijnlijk omdat zij geen bescherming en geen werk meer hadden. Het is vooral de verdienste geweest van de Hollandse graaf Dirk III dat de ontginning van de moerasachtige wildernis werd aangepakt. Hij laat mensen werven die sloten willen graven om het land te ontwateren. Ieder die meedoet, mag de grond gratis hebben en er een boerderij neerzetten, hij doet dan mee met de cope of koop (cope vind je terug in diverse streeknamen als Boskoop, Nieuwkoop et cetera). Veel mensen ook van buiten deze streek komen op deze manier hun geluk beproeven. De sloten werden haaks op de rivier de Rijn, de Meije, de Oude Bodegrave en de Wiericke gegraven. Aan het einde van de lange kavels die zo ontstonden, werden kades aangelegd, zoals de Meijekade, de Noordzijderkade en de Zuidzijderkade. Hier kwamen de sloten vanuit de Rijn en de Meije bij elkaar en was ook de grens van de gestichte polder. Deze nu nog bestaande kades zijn dus belangrijk historisch erfgoed, bovendien zijn zij nu ook belangrijk voor allerlei vogels en planten. De nieuwe boer moest wel 1/10 de van de jaarlijkse opbrengst van graan of vee als belasting betalen aan de graaf van Holland of de bisschop van Utrecht.

Door de afvoer van het water via de Rijn en via de beide Wierickes naar de Hollandse IJssel, begon de grond te zakken, inklinken genoemd. In de 14e eeuw werd het land te nat voor de landbouw, waarna de meeste boeren overgingen op veeteelt, behalve wat hennepteelt bij de boerderij. Uiteindelijk wist men met wipmolens het overtollige water weer de polder uit te malen, en in de loop van de 17e eeuw ging dat nog beter met de grote achtkantige molens. Ook door vervening en droogmaken van deze polders rond Reeuwijk ontstond goede grond voor veeteelt.

De oude veldnamen, die nu vernoemd zijn in sommige straatnamen, hebben te maken met het historische landschap. Zo was er ten oosten van het riviertje de Oude Bodegrave een gebied dat de Dronen heette. Uit publicaties weten wij dat Dronen betekende dat de grond 'stug en doornig' was. Bij de veldnaam 'Broekvelden', betekende de naam broek, veen, dit waren dus veengebieden. En Vronemaden, betekende weiden van de Heer, dus land van de bisschop.

De vele bomen en houtwallen die rondom de boerderijen staan of gestaan hebben, hadden een belangrijke functie. Naast de vele knot- en schietwilgen langs de slootkanten, vind je vaak allerlei schaduwbomen voor de boerderijen, in de vorm van 'leilinden'. Van groot belang waren vroeger de bosjes die hier en daar aangeplant waren, op de kaden die het land afsloten, of in een bocht van het land waar de koeien werden gemolken (de koebocht genoemd). Deze bosjes werden de 'geriefbosjes' genoemd, omdat het hout voor allerlei zaken op de boerderij gebruikt werd, ten gerieve van de boer. Deze bosjes in het land of op de kades waren altijd omringd door sloten, zodat het vee er niet aan kon knagen. Eens in de vier of zes jaar werden de bomen gesnoeid, waarna er stobben overbleven die een mooie schuilplaats voor allerlei vogels, dieren en planten vormden. Voor de boer van vroeger was dit hout echter heel belangrijk. Het dikke hout werd gebruikt om er klompen van te maken, terwijl de stevige takken gebruikt werden om er stelen voor bezems en schoppen uit te snijden. Ook voor hekpalen, bonenstaken en beschoeiingen waren deze takken te gebruiken. Het dunne hout wat overbleef, had een functie als stalbezem, om er beschoeiingen van te vlechten en, ook belangrijk, als brandstof voor het fornuis. Ook gebruikte men de twijgen wel om er manden of windschermen van te vlechten. Er ging geen snipper hout verloren.

Advertentie

Categorieën