Afbeelding
Foto: MEGIN ZONDERVAN

‘Wie heeft de regie in het onderwijs? Het kind!’

Algemeen

BODEGRAVEN - In april presenteerde Emiel van Doorn zijn zesde pedagogische boek ‘Mediërend leren’ samen met Floor van Loo. Emiel is ervan overtuigd dat kinderen - met én zonder stoornis - meer betrokken moeten worden bij hun eigen onderwijs. “Meer ruimte voor samenwerking lost een hoop problemen op.”

door Key Tengeler

Na een lang traject van speciaal onderwijs, vmbo, mbo en uiteindelijk hbo werd Emiel basisschooldocent. Daar was hij het niet eens met de manier waarop werd omgegaan met kinderen die moeilijk mee konden komen. “Die moesten naar een andere school, weg van hun oude vriendjes. Dat moest anders kunnen: les op een school in de eigen wijk met de eigen vrienden, inclusief in plaats van passend onderwijs.”

Emiel vond dat alternatief met behulp van de positieve ontwikkelingspsychologie. Hij verdiepte zich daar steeds verder in en vergeleek het effect van verschillende onderwijssystemen. Zo ontwikkelde hij zich tot therapeut bij Stichting StiBCO, waarvoor hij onderwijsadvies en ondersteuning geeft aan ouders, leerkrachten en kinderen.

Vertrouw het kind

De kern van Emiels boek ‘Mediërend leren’ is dat volwassenen kinderen mee moeten laten denken over hun onderwijs. “Ik schreef altijd dossiers over kinderen zonder de mening van die kinderen zelf. Ik voerde gesprekken met ouders over wat goed ging en wat niet waar die kinderen niet bij waren. Terwijl zij het waren die moesten veranderen! Dat is toch raar?” Bovendien heeft het een averechts effect. Als zonder hun medeweten wordt bepaald dat ze bijles moeten krijgen, zetten kinderen de hakken in het zand. “Wie heeft dan de regie?” vraagt Emiel grinnikend. “Wij niet!”

Emiel wil nooit meer rapportvergaderingen zonder leerling of tafeltjesavonden zonder kind. “Dat levert ook hele andere, veel productievere gesprekken op. Ouders kunnen niet over het hoofd van het kind heen een docent pushen dat hun kind beter moet presteren. Het kind zit erbij. Als hij moet oefenen aan zijn taal, kan hij zelf gevraagd worden of hij het ziet zitten elke zondag een uurtje te oefenen met zijn ouders. Het is in het begin eng, maar we moeten vertrouwen hebben in de kinderen.”

Emiels boek is vooral een praktische handleiding voor deze manier van samenwerken. Het beantwoordt vragen als ‘hoe pak je het aan om mét een kind te werken?’ en ‘hoe ziet je dossier er dan uit?’

Samenwerken

“We zouden moeten accepteren dat een kind niet overal goed in is”, vindt Emiel. Hij ziet in zijn werk als therapeut dat kinderen vooral bang zijn om te falen. Ze zijn bang dat de leraar hen een vraag zal stellen en zijn daar zo mee bezig dat ze vergeten op te letten tijdens de uitleg. “Ik ben eigenlijk de hele dag bezig kinderen vertrouwen te geven. Ik vertel hen dat het niet erg is als ze iets missen en het moeten navragen. Voor dat overleg moet dan natuurlijk wel de ruimte zijn in de les.”

Emiel benadrukt dat samenwerken de sleutel is. “Je moet gebruik maken van andermans sterke kanten als je iets zelf niet zo goed kunt. Ik ben dyslectisch, dus schrijf mijn boeken samen met iemand die wel goed is met tekst. Op school dacht ik dat het niets met me zou worden, maar in de maatschappij blijk ik het prima op te kunnen lossen.”

Achtergrond
Als kind heeft Emiel in het speciaal onderwijs gezeten. Hij woonde in Bodegraven, maar zijn school stond in Leiden. Dat was voor hem het eerste probleem. “Ik zat overdag de hele tijd in Leiden, dus raakte al mijn vriendjes uit de buurt kwijt. Dat was funest voor mijn motivatie.”
Wat Emiel verder beschadigde, was dat hij alleen persoonlijke aandacht kreeg van de leraar als hij iets niet goed deed. “Zo werkt ons onderwijssysteem. Er ligt nadruk op waar je tekortschiet. Op een gegeven moment ging ik zelf geloven: ‘Ik ben echt niet slim’ en ‘Ik heb geen toekomst’.”

Advertentie

Categorieën