Het slotenpatroon ten noorden van Bodegraven in 1887.
Het slotenpatroon ten noorden van Bodegraven in 1887.

Historie van de boerenstand in onze streken

Algemeen Verhalen uit het archief

De boeren zijn veel in het nieuws door protesten tegen het stikstofbeleid van de regering. In een aantal verhalen kijken wij terug op de historie van onze boerengemeenschap. Dit is deel 1 in een reeks van drie artikelen. Per abuis is de vorige week al deel 2 geplaatst.

Romeinse tijd

De gemeente Bodegraven-Reeuwijk is aan alle kanten omringd door weilanden en vele boerderijen. De honderden boeren die hier in de loop der eeuwen hebben gewoond, zijn van grote invloed geweest op de ontwikkeling van het landschap en ook op de ontwikkeling van de dorpen zelf. Als wij terugkijken naar de oudste geschiedenis van deze streek, dan komen wij terecht in de tijd van de Romeinen, ongeveer 60 jaar na Christus. Dit is de eerste periode dat dit gebied min of meer permanent bewoond werd. Vóór deze tijd hebben hier, zo ver men weet, alleen wat doortrekkende jagers gebivakkeerd. Dat is niet zo vreemd als je nagaat dat, behalve op de kleiruggen langs de rivier de Oude Rijn, dit gebied voornamelijk uit moerasachtige wildernis bestond. 

De Romeinen legden een weg aan langs de rivier om van de ene nederzetting naar de andere te reizen. Ook bouwden ze een poortgebouw (ter hoogte van het noordelijke deel van Oud Bodegraven). Bij deze nederzetting vestigden zich ook streekbewoners, de Kaninefaten, die waarschijnlijk in hutjes van hout en riet op de oevers van de rivier woonden. Bij opgravingen aan het eind van de vorige eeuw zijn allerlei beenderen gevonden van runderen, schapen, geiten en ook van otters, elanden, edelherten en marterachtigen. Er is dus bij de rivier enige vorm van veeteelt geweest, terwijl in de wildernis de otters en edelherten vrij spel hadden. 

Na het jaar 260 verdwenen de Romeinen, waarna ook de streekbewoners het veld ruimden, waarschijnlijk omdat zij geen bescherming en geen werk meer hadden. 

Ontginning van het gebied

Onze oud-plaatsgenoot P.C. Beunder meende dat rond het jaar 750 weer bewoners naar dit gebied kwamen. De nieuwe bewoners vestigden zich hier onder leiding van graaf Bodo, een vazal van de Frankische koning. Hij vestigde zich langs het veenriviertje dat langs de plaats van het vroegere Romeinse poortgebouw in de Oude Rijn stroomde. Bodo ontgon de grond langs het riviertje door afwateringen te graven. Er is een theorie dat ‘Bodo’ en ‘graven’ tot de naam ‘Bodegraven’ heeft geleid. Of dit nu wel of niet waar is, deze graaf was in ieder geval wel de eerste boer die akkerland en weilanden in deze streek heeft aangelegd. 

De inval van de Vikingen verdreef Bodo. Het duurde tot ongeveer het jaar 1000 tot weer sprake was van ontginning. Dat is vooral de verdienste geweest van de Hollandse graaf Dirk III. Hij liet mensen werven die sloten wilden graven om het land te ontwateren. Ieder die meedeed, mocht de grond gratis hebben en er een boerderij neerzetten. Je deed dan mee met de ‘cope’ of ‘koop’ - een woord dat je terugvindt in diverse plaatsnamen in de streek als Boskoop en Nieuwkoop. De nieuwe boer moest een tiende van de jaarlijkse opbrengst aan graan of vee als belasting betalen aan de graaf van Holland of de bisschop van Utrecht (onze streek lag op de grens van beide gebieden), maar verder was hij eigen baas. Veel mensen, ook van buiten deze streek, kwamen op deze manier hun geluk beproeven.

Slotenpatroon

De sloten werden haaks op de rivieren de Rijn, de Meije en de Oude Bodegraven gegraven. Zoals duidelijk te zien is op de topografische kaart, is op die manier het slotenpatroon ontstaan. De sloten zijn de dunne lijntjes op de kaart die meebuigen met de krommingen van de rivier. Dit patroon bestaat al ruim 1000 jaar en functioneert nog altijd. 

Aan het einde van de lange kavels die zo ontstonden, werden kades aangelegd zoals de Meijekade en de Noordzijderkade. Hier kwamen de sloten vanuit de Rijn en de Meije bij elkaar. Deze kades vormde ook de grens van de gestichte polder. Ze bestaan nu nog en zijn dus belangrijk historisch erfgoed. Bovendien vervullen zij nog steeds een belangrijke rol voor allerlei vogels en planten.

Door de afvoer van het water via de Rijn en via de beide Wierickes naar de Hollandse IJssel begon de grond te zakken, ‘inklinken’ genoemd. In de veertiende eeuw werd het land te nat voor landbouw, waarna de meeste boeren overgingen op veeteelt, behalve wat hennepteelt bij de boerderij. Uiteindelijk wist men met wipmolens het overtollige water weer de polder uit te malen. In de loop van de zeventiende eeuw ging dat nog beter met grote achtkantige molens. Zo ontstond door boerenhand het landschap dat wij zo goed kennen.

!