Lessen in melken.
Lessen in melken. Foto: Archiefbeeld

Vrouwenwerk, hannekemaaiers de kaaspoetspakhuisknecht

Algemeen Verhalen uit het archief

In de huidige tijd is het niets bijzonders als vrouwen een baan hebben, in vorige eeuwen was dat een uitzondering. Wel waren er dames die de kost verdienden als pedicure, huisnaaister, kookster (kokkin), gouvernante, wijkzuster en vroedvrouw.

door Cock Karssen

In het boerenbedrijf werd vooral het kaasmaken door de vrouwen gedaan. Het was de boerin zelf, geassisteerd door haar boerendochters en door de boerendienstbode, die de kaas vormde. De boerendienstbodes waren evenals de boerenknechten altijd intern op de boerderijen. Zij werden op 25 november (Sinte Cathrijn) voor een heel jaar in dienst genomen. Soms waren deze boerendienstbodes zelf van een boerderij afkomstig. Omdat in de grote gezinnen op de eigen boerderij niet voor allen werk was, ging men bij een andere boer werken - een burgerberoep uitkiezen was niet de gewoonte.

Het dagelijkse ritme was niet mals: er werd in de zomer gewerkt van ’s morgens 3.00 of 4.00 uur tot ’s avonds laat, zonder vakantie, met slechts een paar uur vrij in de week. Na het melken begon men rond 6.30 uur in de morgen met de kaasmakerij. In de zomer werd bijna alle melk omgezet in kaas. Het was volledig handwerk, dat begon met het stoken van het waterfornuis met takken. Ook het roeren van de wei ging met de hand. Na het kaasmaken moest alles grondig schoon geboend worden, want hygiëne was bepalend voor de kwaliteit van de kaas. Dit hele proces werd tweemaal op een dag uitgevoerd, want ’s middags werd weer gemolken en ook weer kaas gemaakt.

Naast de boerendienstbodes waren er veel dienstbodes die in huis bij de burgers hun loon verdienden. Want ook in het burgerhuishouden gebeurde alles nog met de hand: het doen van de grote was zonder wasmachines alleen al was wekelijks een flink karwei. Bovendien hadden alle huizen nog een kolenkachel voor de verwarming, wat veel stof en vuil opleverde, waardoor er veel gepoetst moest worden.

Daggelder, boerenarbeider en de knors

Naast de boerenknecht kende men op de boerderij ook de boerenarbeiders en de daggelder. De daggelder werkte zonder vaste aanstelling tegen een vergoeding per dag op het platteland. In 1938 was dat 4 gulden per dag. De boerenarbeiders waren wel in vaste dienst, zij werden op 1 maart ingehuurd voor een jaar en werkten daarvoor zeven dagen in de week. Zij woonden niet intern zoals de boerenknecht, maar met hun vaak grote gezinnen in arbeidershuisjes in de buurt van de boerderijen. De knorsen waren zelfstandige slagers die op de boerderijen het vee kwamen slachten. Dit was voordat men in 1927 in Bodegraven een slachthuis kreeg. Daarna was dit verboden.

Ook een uitgestorven beroep is dat van de hannekemaaiers. Dit waren losse arbeiders die vaak vanuit Gelderland naar deze streek kwamen. Op de dinsdagse kaasmarkt trachtten zij zich te verhuren aan de boeren om het gras te maaien. Het maaien ging begin vorige eeuw nog met de hand, met de zeis, en was dus erg veel werk. De hannekemaaiers werden dan voor de hooibouwtijd ingehuurd en waren in de kost bij de boer.

Jagers

In Waarder waren ook beroepsvissers actief. In 1950 waren er nog drie over: Wals, Stouthart en Griffioen. In Reeuwijk-Dorp was dat Cor Broere.

Er werd ook vanuit een schuilhut gejaagd op eenden. Hierbij werd gebruik gemaakt van levende en houten lokeenden, die de wilde eenden naar het jachtveld moesten lokken. Er was een klein aantal beroepsjagers. Ook werden er vroeger kieviten gevangen. Op ongeveer vijftien vangplekken in het plassengebied werkte men vanuit hutjes van takken en riet en met slagnetten. De kieviten werden gelokt met zogenaamde kievitfluitjes en met lokkieviten. Jaarlijks werden zo duizenden kieviten gevangen en verkocht aan de restaurants voor 20 cent per stuk. In 1945 werd deze vangst verboden.

Voorzanger en aanzegger

In de kerken kende men in vorige eeuwen de voorzanger. Dit was bijna altijd de onderwijzer van de school, die de psalmen tijdens de diensten ten gehore bracht. Ook de stalhouder is uit het straatbeeld verdwenen. In Bodegraven kende men diverse stalhouderijen, waar tijdens de kaasmarkt de paarden van de boerenbrikken werden ondergebracht. 

Een echt Bodegraafs beroep was dat van de kaaspoetspakhuisknecht. Deze moest in de vele kaaspakhuizen in het dorp de daar opgeslagen kazen regelmatig poetsen tegen schimmel en keren op de kaasplanken. Ook moesten de kaasplanken schoongemaakt worden, wat bij de pakhuizen aan de Rijn in de rivier zelf werd gedaan. Ook het verladen van de kaas in en uit het pakhuis werd door deze mannen gedaan.

Wij besluiten deze verdwenen beroepen met de aanzegger. Dit waren mannen van de begrafenisdienst, die langs de deuren gingen om aan te zeggen dat iemand was overleden. Dit gebeurde nog tot in de jaren 50 van de vorige eeuw.

Advertentie

Categorieën