Kampement in Bodegraven, waarvandaan prins Willem III de verdediging leidde. Bron: het boek 'Rampjaar 1672' van Luc Panhuyzen
Kampement in Bodegraven, waarvandaan prins Willem III de verdediging leidde. Bron: het boek 'Rampjaar 1672' van Luc Panhuyzen

Strenge winter van 1672 verstoort de Waterlinie

Historie Verhalen uit het archief

Dit jaar herdenken wij het rampjaar 1672 in onze streek. In deze verhalen volgen wij de gebeurtenissen.

In een vorig verhaal is al verteld hoe prins Willem III betrokken was bij de ramp in 1672. In het boeiende boek van Luc Panhuyzen ‘Rampjaar 1672’ wordt aan de hand van brieven uit die tijd een interessant beeld geschetst van de situatie waarin de prins terecht was gekomen en hoe hij heeft getracht om ons land van de ondergang te redden.

In het najaar van 1672 had de prins enige tijd een kampement in Bodegraven, waar hij de verdediging van de streek tegen de Fransen scherp begeleidde. Eind 1672 vertrok de prins met een deel van zijn leger naar het zuiden om daar de verdediging ter hand te nemen. Graaf Van Köningsmarck kreeg als taak om ons grondgebied te verdedigen.

Strenge vorst
Dankzij de Hollandse Waterlinie lag een groot gebied onder water. En zolang het ijs niet sterk genoeg was, hadden de Franse troepen geen kans om het gebied in te trekken. Men probeerde het ijs zwak te houden door onder ander de molens te laten draaien, zodat het water onder het ijs in beweging bleef. Helaas vroor het op 15 december erg hard, waardoor de Franse troepen zonder moeite over het ijs konden trekken. Op 27 december vertrok de Franse generaal Luxembourg met duizenden infanteristen en negenhonderd paarden vanuit Woerden richting Zegveld. Met bijlen en houwelen probeerde men de weteringen open te houden om de oprukkende Fransen tegen te houden. 

Generaal Luxembourg liet zich echter niet tegenhouden, ook niet door de intredende dooi. Hij ging met 14.000 man op weg naar Zegveld, waar hij met hout van de boerderijen die hij daarvoor liet slopen over de Slimme Wetering wist te komen. Slechts 3500 man bereikte de overkant, toen stortte de noodbrug in elkaar. Met deze veel kleinere troepenmacht wist de generaal via de Meije op 28 december uiteindelijk Zwammerdam te bereiken. Hoewel de kleine verdedigingsmacht aldaar de brug had opgehaald, wisten de Fransen via een boot de overkant te bereiken, waarna zij hun frustraties botvierden op de bevolking. Plunderend, moordend en verkrachtend trokken zij door het dorp, waarbij bijna alles werd platgebrand.

De troepen van de prins onder bevel van Köningsmarck waren voor het grootste deel teruggetrokken naar de Goudse Sluis bij Alphen aan den Rijn. Slechts honderd man was achtergebleven om de bevolking te verdedigen. Maar ook deze troepen vluchtten al snel voor de Franse overmacht. Ook kolonel Pain-et-Vin, die bij Nieuwerbrug gelegerd was, had het hazenpad gekozen en was met zijn soldaten naar Gouda gevlucht.

Alles wordt platgebrand
Nadat de Franse troepen Zwammerdam hadden verwoest, trokken ze plunderend en brandstichtend naar Bodegraven. Hier was de vuurzee van het brandende Zwammerdam natuurlijk niet onbekend gebleven, dus iedereen die nog kon vluchten, nam de benen via de Prinsendijk naar Gouda of vluchtte richting Woerden. En dat was maar goed ook, want Luxembourg trok na Zwammerdam weer terug naar Bodegraven, waarbij aan beide zijden van de Rijn alles werd platgebrand wat de troepen tegenkwamen. In het dorp zelf gaf hij opdracht om het slechts op enkele plaatsen in brand te steken, maar ‘per ongeluk’ werd toch het hele dorp, met allen die niet hadden kunnen ontsnappen, afgebrand en uitgemoord. Alleen de rooms-katholieke schuilkerk bleef als door een wonder overeind. De Franse generaal schatte dat hij tussen De Goudse Sluis en Nieuwerbrug tussen de 2000 en 3000 huizen had laten platbranden. 

Het voert te ver om de hele geschiedenis hier uitvoerig te vertellen. Er zijn echter uitgebreide beschrijvingen te boek gesteld, zoals in het boekje ‘Bodegraven in 1672’ van drs. J.F.A. Modderman (uitgegeven in 1972). 

Hoeveel Bodegravers zijn omgekomen is niet bekend, wel is bekend dat alles tot in de verre omtrek één grote puinhoop was. Na deze ramp verschenen er diverse vlugschriften, waarin de gruwelen van de Fransen werden beschreven vergezeld van afgrijselijke illustraties. Panhuyzen meent dat de feiten toen erg overdreven werden als antipropaganda tegen de Fransen, maar bevestigt wel dat de Fransen zeer wreed te werk zijn gegaan. Toen Willem III op 29 december met zijn ruiterij in Alphen aan den Rijn arriveerde, was het al te laat. Het kwaad was geschied.

!