
Beurtschippers en losploegen aan de Rijn
HistorieDoor de centrale ligging aan de Oude Rijn is Bodegraven van oudsher belangrijk geweest voor het vrachtvervoer. De vondsten van allerlei vrachtschepen uit de Romeinse tijd in onze omgeving, bewijzen dat zelfs in de Romeinse tijd al vele vrachtschepen op de rivier gevaren hebben.
door Cock Karssen
Ook in de vroegmoderne tijd zag men het belang van een goede verbinding over het water. In 1664 namen Leiden en Woerden het initiatief om een jaagpad langs de rivier aan te leggen. Over dit pad konden schepen, zoals de trekschuit en de vrachtscheepjes met een paard of met mankracht vooruit getrokken worden. Het vrachtvervoer werd vooral belangrijk toen de industrie in onze regio groeide, en ook door de komst van de Bodegraafse kaasmarkt.
Veel schippers
In ons dorp verdienden velen als schipper op de beurtvaart hun brood. De oudste papieren had schipper Pfauth, die al in 1792 het recht op de beurtvaart verkreeg. Schipper Hortensius ging met zijn schepen naar Rotterdam, W. van Aalst had Leiden en Utrecht als einddoel, J. van Aalst en De Groot voeren naar Leiden met kaas en Bekker volgde de route naar Breukelen, Maarsen en Vinkeveen. Van der Pol stuurde zijn schip naar Den Haag en Delft, en schipper Nagtegaal deed hetzelfde richting Zaanstreek. Zij vervoerden fruit, kaas, zaden van zaadhandel Turkenburg, vee, werktuigen van Hero de Groot en graan en stro.
Er hadden zich ook schippers gespecialiseerd in het vervoer van turf, kolen, grint en zand. Daartoe behoorden onder andere de schippers: Blonk, Broere, Griffioen, Groenenveld, D. en J. Straver, Streefland, Stoter, Rijnbeek en Veelenturf. Verder waren ook de schippers Belder, Blijleven Verkaik, Rietkerk, Hunik, De Kruijf, A., D. en G. Versloot, Verlaan, De Vlieg en Walraven dagelijks op de Oude Rijn te vinden.
Stimulator
Hortensius was als 26-jarige begonnen als schipper met een beurtvaart op Rotterdam. De vloot bestond tenslotte uit diverse schepen die allen ‘De Rijstroom’ heetten. In 1904 was de Rijnstreekse afdeling van de schippersvereniging ’Schuttevaer’ opgericht, waarvan Hortensius voorzitter werd. Hij was 34 jaar lang, tot zijn dood in 1938, de grote stimulator van deze vereniging. Bovendien werd hij lid van een speciale commissie van de Kamer van Koophandel die zich bezighield met de evenredige vrachtverdeling. Hij maakte in zijn vak de ontwikkeling mee van zeilvaart, via stoom naar motorschip, en tenslotte de vrachtwagen. Hij was schipper in de tijd dat jaarlijks meer dan 22.000 vrachtschepen de Bodegraafse sluis passeerden.
Paard en wagen
Schipper Steenbergen maakte gebruik van de Goudsevaart: Steenbergen begon met een trekschuit naar Gouda, ‘s morgens om 04.00 uur vertrok het schip van de kop van de Goudsevaart, werd onder de spoorlijn doorgetrokken, en arriveerde dan om 09.00 uur in Gouda. De goederen werden met een handkar uit en aangereden, waarna men om 13.00 uur weer vertrok, en uiteindelijk tegen 18.00 uur weer bij Emmakade 2 kon aanleggen.
Pas in 1921 kon Steenbergen over gaan op een motorschip, en in 1935 werd de eerste vrachtwagen, een Ford van Van Bunningen aangeschaft. Dit was ook omdat het schip niet meer onder de spoorlijn door kon, omdat de doorgang dichtgemaakt was, en daardoor het pakhuis aan de Emmakade niet meer per schip bereikbaar was. Zoon C.Th. Steenbergen nam in 1935 het bedrijf van zijn vader over en kreeg al snel te maken met alle problemen van de Tweede Wereldoorlog. De motorschuit werd weer ‘van stal’ gehaald om de vracht te vervoeren, en later zelfs paard en wagen. Na de oorlogsellende, wist Steenbergen zijn oude auto weer terug te vinden. Na een grondige opknapbeurt, ging men hard aan de slag om het bedrijf weer op te bouwen.
De losploegen
De schepen moesten natuurlijk geladen en gelost worden. Daarvoor huurde men speciale losploegen in. Dat waren arbeiders zonder vast werk, die zich verhuurden aan de schippers of hun opdrachtgevers om het zware werk uit te voeren. Behalve bij schepen werkten deze ploegen ook om goederen in de vrachtwagons van de trein te laden en te lossen.
Het was allemaal handwerk. Dat betekende dat de arbeiders zware zakken met steenkolen of andere goederen op de schouders moest vervoeren van en naar de schepen en de pakhuizen. Ook toen de vrachtwagens al hun intree hadden gedaan werd er nog gebruik gemaakt van de losploegen.















