
Verkenning naar nieuw beleid op verblijf in zomerwoningen
PolitiekDe Raadscommissie Ruimte boog zich op woensdag 4 juni over de vraag of permanente bewoningen van recreatiewoningen kan worden toegestaan. Of specifieker: of het de moeite loont om hierover een opdracht tot onderzoek te verstrekken aan het college.
door Elly de Knikker
Het punt ‘Initiatief permanente bewoning zomerwoningen’ werd behandeld naar aanleiding van een inspraak eerder dit jaar van een groep eigenaren van zomerwoningen. Wilco van Roon (LLBR, wonend in het plassengebied) en Henk van der Smit (SGP) reageerden relatief relaxed op dit verzoek. Het zou, volgens hen, weinig veranderen aan de huidige situatie. Wel moeten er voorwaarden worden bepaald. Van der Smit stelde de retorische vraag “kan iemand het verschil uitleggen tussen permanent verblijven en permanent bewonen?”
De andere politici waren terughoudender en stelden vooral veel vragen. Kan het Reeuwijkse Plassengebied de extra druk wel aan? Hoe legaal is de bewoning nu eigenlijk? Hoeveel woningen betreft het? Zou de permanente bewoning niet voor precedentwerking zorgen? En: Hoe groot is hiermee de bijdrage aan het oplossen van het woningtekort?
Memo met feiten
Commissievoorzitter Remco Tijssen (BB-R) navigeerde rustig in de onduidelijkheid en wist concrete punten te destilleren uit de bijdragen van de commissieleden die regelmatig meer vragen dan meningen bevatten. Wethouder Dirk-Jan Knol (CDA) zegde toe een memo op te stellen die voor meer helderheid moet zorgen. In dat memo gaat worden aangegeven wat het aantal zomerwoningen is, de gemiddelde huurbezetting, de verkeersbewegingen en of de omgevingswet handvatten biedt om bebouwen in het plassengebied te beperken.
Op basis van dat memo volgt dan opnieuw een opiniërende discussie in de commissie Ruimte. Daarna wordt de vraag daar neergelegd of de commissie het college de opdracht wil geven om wel of niet een onderzoek te starten naar nieuw beleid hierop. De wethouder gaf daarbij wel de waarschuwing mee dat het niet gaat om een abc’tje: “Met het maken van beleid hierop is veel tijd gemoeid, en die tijd kan dan niet worden besteed aan zaken die misschien nuttiger zijn voor het vergroten van woningbestand.”















