Logo kobr.nl
Foto:
Verhalen uit het archief

Verhalen uit het archief: Jagen en vissen in het Reeuwijkse land

Terwijl rondom de Oude Rijn vooral weilanden met boerderijen te vinden waren, toont het gebied rond Reeuwijk een ander patroon. Het hele Reeuwijkse gebied, de plassen en de polders zijn uitgeveend na 1734. In 1909 waren er nog 45 Sluipwijkers actief in het vervenersbedrijf. Het werk was vooral seizoensarbeid. Men moest de turf baggeren in de periode dat er geen vorst was. In 1780 werden in het hele gebied honderdduizend roeden turf gewonnen! Na de dertiger jaren van de vorige eeuw was het over met de turfwinning en moest men andere broodwinning zoeken.

Door Cock Karssen

In het boekje 'Mens en natuur in het Reeuwijkse plassengebied', geeft auteur John van Gemeren in 1987 de volgende beschrijving van het leven in Sluipwijk: "Er staan nog enkele originele Sluipwijkse huisjes langs de plassen. Hier woonde men met grote gezinnen, vader en moeder sliepen beneden in de bedstee, terwijl op het zoldertje soms 10 of meer kinderen op een rij lagen. Rondom de woning stonden wat vruchtbomen en er was een 'bleek', een grasveldje waar men de was in de zon kon bleken. In de schuur achter het huis stond meestal een geit, een varken of een koe. Bij de plas hing de visbun in het water, waarin paling en andere vis, levend werd bewaard. In een ton werd boven brandende eikekrullen de paling gerookt. In een hok van hout en gaas snaterden de lokeenden."

'Het Sluipwijkse schouwtje'

In 1909 waren er 49 beroepsvissers in Sluipwijk, in 1930 waren er nog 11 over. Men viste voornamelijk op paling en snoekbaars. Men gebruikte fuiken die men zelf maakte van katoen dat in de taanteer werd gelegd. Vroeger werd er ook wel met een lang sleepnet gevist, de zegen, waarbij in één trek wel 700 kilo vis gevangen werd. Het werd later alleen nog gebruikt om de brasemstand te verminderen. Op de foto zijn de viskopers Van der Starre te zien. Oktober en november waren de maanden waarin de netten voor de snoekbaars in de plassen werden gezet. De Sluipwijkse vissers maakten gebruik van speciale bootjes, 'het Sluipwijkse schouwtje', dat o.a. op de scheepstimmerwerf van N. Verbeij, van 1870-1983, werd gebouwd. In 1930 waren er nog vier scheepsbouwers die deze schouw maakten. Botenbouwer Thom van Zijp begon in de tachtiger jaren van de vorige eeuw weer met de bouw en reparatie van deze speciale bootjes.

In de winter, als er verder weinig te doen was, ging men riet snijden. Het riet werd gebruikt voor eigen gebruik, zoals het maken van rietmatten en voor schuilhutten.

Levende en houten lokeenden

In Waarder waren ook beroepsvissers actief. In 1950 waren er nog 3 over: Wals, Stouthart en Griffioen. In Reeuwijk-Dorp was dat Cor Broere.

Er werd ook gejaagd, vanuit een schuilhut, op eenden. Hierbij werd gebruik gemaakt van levende en houten lokeenden, die de wilde eenden naar het jachtveld moesten lokken. Er was een klein aantal beroepsjagers. Er is ook een eendenkooi geweest op de plaats waar nu de surfplas ligt. Eenden werden deels gevangen om te ringen, maar ook om de buit. Zowel de huid, als het dons en de veren en soms zelfs de eieren brachten geld in het laatje.

Ook werden er vroeger kieviten gevangen. Op ongeveer 15 vangplekken in het plassengebied werkte men vanuit hutjes van takken en riet en met slagnetten. Bij de plassen Nieuwenbroek en Kalverbroek waren de vangplekken op smalle stukken land gelegen. De kieviten werden gelokt met zogenaamde kievit fluitjes en met lokkieviten. Jaarlijks werden zo duizenden kieviten gevangen en verkocht aan de restaurants voor 20 cent per stuk. In 1945 werd deze vangst verboden. De opbrengst van jacht en visserij vormden voor de bevolking een belangrijke aanvulling op het inkomen. Er werden ook diersoorten gevangen voor de pels, zoals otters, bunzingen hermelijnen en mollen.

In het Reeuwijkse streekmuseum is een expositie over deze eeuwenoude beroepen te zien tot 24 november.

Meer berichten