
Het plassengebied, doorbraken en droogmakingen
Algemeen Verhalen uit het archiefDoor het uitbaggeren van de veenbodem waren bij Nieuwkoop, Noorden, Sluipwijk en Reeuwijk grote waterplassen ontstaan. Bij het baggeren werd het uitgebaggerde veen op zogenaamde legakkers te drogen gelegd. Deze smalle akkers werden bijna allemaal uiteindelijk door het omliggende water - dat wel 4 tot 6 meter diep was - weggespoeld, waardoor een groot wateroppervlak ontstond. Om deze plassen werden door de waterschappen dijken en wegen aangelegd. Sommige plassen werden al vrij snel drooggemalen.
door Cock Karssen
In 1870 en 1878 werden de Middelburgseplas, de Tempelplas en de Wonneplas drooggemalen. Broekvelden en Vettenbroek volgden in 1890. Bij het vervenen van sommige gebieden waren in de 19e eeuw zogenaamde slikgelden geïnd, die moesten dienen om de polders als zij uitgeveend waren weer geschikt te maken voor de landbouw. Op deze manier gebeurde dat dan ook bij bovengenoemde polders. In 1856 ontstonden er plannen om alle plassen weer droog te maken. Burgemeester Lucasse van Reeuwijk pakte dit plan in de twintiger jaren weer op. Bij droogmaking zouden in de polders wel 30 boerderijen gesticht kunnen worden en het zou goed zijn voor de werkverschaffing. Een sterk punt in de crisisjaren van toen. Er was echter naast de bijval voor de plannen ook protest tegen de droogmaking. Vanuit de Goudse Ornithologen club kwam het eerste protest. Zij werden gesteund door de bekende bioloog Dr. A.Scheygrond en door Dr. Jac.P. Thijsse. Zij protesteerden tegen het droogmaken omdat hierdoor het unieke natuurgebied van de plassen vernietigd zou worden. De meeste Reeuwijkers waren sterk voor de droogmaking, terwijl de tegenstanders aanvoerden dat de grond die bloot zou komen, van matige kwaliteit zou zijn. Ook de kosten van bemaling zouden zeer hoog zijn.
Midden in deze discussie, op 31 december 1925, braken de dijken van de Lecksdijk en de Binnendijk door, waardoor de drooggemalen polders Broekvelden en Vettenbroek weer onder water liepen. Voor burgemeester Lucasse een reden temeer om zich bij het ministerie van Landbouw en Binnenlandse zaken sterk te maken voor zijn plannen. Ondanks al zijn inspanningen besloten de Provinciale Staten toch in 1930 om de droogmaking niet uit te voeren zodat de plassen intact bleven.
Na de Tweede Wereldoorlog nam de recreatie sterk toe. De gemeente en de provincie gingen beleid ontwikkelen om de waarden van het plassengebied te behouden en de recreatie in goede banen te leiden. In 1964 kocht de gemeente Reeuwijk de polder Broekvelden en Vettenbroek op om er zand te gaan winnen. Dat was moeilijk voor de bewoners die 40 jaar na de overstroming van 1925 hard hadden moeten werken om het hoofd ‘boven water te houden’. De gemeente bood echter een goede prijs voor het land, zodat men akkoord ging. Door de zandwinning wilde de gemeente Reeuwijk ook het plassengebied met 20% uitbreiden. Het zand zou worden gebruikt voor bouwprojecten in de gemeente Gouda, voor het dempen van sloten, het aanleggen van een sportcomplex, verbetering van het wegennet en voor meer recreatie. Het plan werd in 1964 gelanceerd door burgemeester Quarles van Ufford.
In 1970 werd de polder Broekvelden en Vettenbroek weer onder water gezet. Zo werd deze polder eerst ontgonnen (1797), daarna uitgeveend en drooggemalen (1892), in 1925 overstroomd en weer drooggemalen om uiteindelijk in 1970 weer plas te worden. De plas is op sommige plaatsen wel 30 meter diep en wordt daarom ook vaak door duikers bezocht. Door het schone water foerageren veel vogels op de Surfplas. Vooral in de winter is het een geliefd overwinteringsgebied voor smienten, kuifeenden, tafeleenden, brilduikers, dodaars, ijsvogels en vele andere vogels. De polder valt nu onder bescherming van Natura 2000. Rondom de plas werd natuur en recreatie gebied Het Reeuwijkse Hout aangelegd en in het zuiden kreeg de Goudse Hout vorm. In 2013 werden in het hele gebied natuurvriendelijke oevers hersteld. Enkele jaren geleden is er opnieuw zand uit de surfplas gewonnen voor verbreding van de A12.














