Een foto gemaakt door de Duitsers op een van de gevorderde boerderijen.
Een foto gemaakt door de Duitsers op een van de gevorderde boerderijen. (Foto: )
Verhalen uit het archief

Duitse bezetters in Bodegraven 1940-1945

Na de intocht van de Duitse troepen, werd de gewone gang van zaken al snel verstoord. Veel mensen kregen inkwartiering van Duitse soldaten, zowel in de dorpen als op de boerderijen in de omgeving (zie de foto). Ook werden overal de scholen gevorderd en moesten de lessen worden voortgezet op zolders van pakhuizen of andere locaties. In Reeuwijk kwam de inkwartiering later. Daar werden pas in november 1942 soldaten ingekwartierd, vooral veel van de Wehrmacht met paarden.

De eerste Duitsers

Met de eerste Duitsers viel het nog mee; ze gedroegen zich over het algemeen correct en sommige Ortskommandanten bestraften soldaten zelfs omdat zij zich aan de eigendommen van burgers hadden vergrepen. Toen Hitler naar Engeland wilde oversteken, werd Bodegraven volgestouwd met jonge, frisse soldaten, die huis aan huis werden ingekwartierd. Deze lieden waren vurige bewonderaars van Adolf Hitler, maar behoorden niet tot de sadisten, die later via de SD of SS kwamen. 

Het straatbeeld werd permanent beheerst door marcherende troepen, winkelende soldaten en patrouillerende wachten. Ook was Bodegraven af en toe een ‘Kurort’ voor troepen die van het Oostfront kwamen; zij kwamen hier weer op krachten. Dat betekende over het algemeen niet dat zij konden luieren, maar dat er zwaar geoefend moest worden. De meeste last die de bevolking van deze ’Moffen’ had, was dat het schoolonderwijs hopeloos vastliep, omdat alle scholen gevorderd waren. Er moest les worden gegeven in de stationswachtkamer, in fabrieksruimten, in kaaspakhuizen en op zolders, - tot ook die ruimten gevorderd werden.

Ook het gebruik van de eigen fiets was niet meer veilig. Als hij niet gevorderd werd door de Duitsers, dan was een groot probleem om aan banden te komen. Zodoende bewogen velen zich op houten banden voort.

Schaarste ontstaat

Al in 1939 begon de directie van de gasfabriek zoveel mogelijk kolen in te slaan voor de gasproductie. Toch kreeg men in 1942 al problemen, omdat er niets meer werd aangevoerd. Men adviseerde de bevolking om zuinig met gas te zijn, door onder andere de hooikist weer te gebruiken om het voedsel te garen of door de pannen zoveel mogelijk op elkaar te zetten. 

Maar in de strenge winter van januari 1941 - het vroor 22 graden - moest de gaslevering toch beperkt worden met een aantal uren wanneer niet gekookt kon worden. Veel erger werd het in september 1944, toen er een heel etmaal nog maar 5 uur gas was. Ook de brandstofhandelaren konden niets meer leveren, zodat ook de kolenkachel geen brandstof meer had. 

Op 27 november 1944 was de voorraad van de gasfabriek totaal uitgeput. De bevolking moest het nu helemaal zonder gas en brandstof stellen, terwijl in diezelfde maand ook de elektriciteitsvoorziening stopte. Om toch wat licht in de duisternis te krijgen, maakte men weer gebruik van kaarsen, olielampen en mechanische zaklampen. Zo werd de hele maatschappij jaren teruggeworpen in de tijd.

De problemen met het koken en verwarmen van het huis probeerde men op te vangen door in de kachel hout en afval te verstoken. Ook wisten sommige knutselaars met behulp van een fiets wat elektriciteit op te wekken. De mensen waren ook creatief in het construeren van kleine kacheltjes met het formaat van een verfblik, waarin met houtsplinters gekookt kon worden.

Schrikbewind

De situatie veranderde drastisch in de winter van 1944 en daarna. Toen kwamen in Bodegraven fanatieke Duitsers en een Nederlands SS-corps onder commando van oud-officier Ridder van Rappard. Toen begon de ellende pas goed. De Duitsers wisten dat het op een eind liep, dus probeerden zij hun woede te koelen op de Nederlanders. Hun komst bracht mee dat hele rijen huizen in Bodegraven zonder meer gevorderd werden: in de Kerkstraat, aan de Noordzijde, aan de Le Coultrestraat, aan de Vijver en nog meer. Tientallen gezinnen moesten ergens ondergebracht worden, en dat in een periode dat er geen eten, geen brandstof, geen gas en geen elektriciteit was.

Bovendien kwam er een verklikkersysteem, waarvan vele goede vaderlanders op het laatst nog de dupe werden. Als men ’s avonds en ’s nachts hun zware laarzen door de straten hoorde dreunen, dan was men pas rustig als zij de deur voorbij gingen. Burgemeester Vonk werd een van hun slachtoffers. Op het allerlaatst werd ook de redacteur van de illegale ‘Kroniek’ nog verraden. Dankzij de collega’s van de Knokploegen, die de verzetsmensen wisten te bevrijden, zijn er verder geen doden gevallen.

Door Cock Karssen

Meer berichten