
Discussie over inwonersparticipatie leeft verder tijdens inspraakraad
AlgemeenIn de aanloop naar de vergaderingen van de commissies Samenleving en Ruimte deze week werd tijdens de eerste inspraakraad van dit jaar aandacht besteed aan de vergunningaanvraag voor de transitie van het vrachtwagenterrein aan de Molendijk in Nieuwerbrug. De bijeenkomst vond vanwege de slechte weersomstandigheden digitaal plaats. Daarnaast waren er presentaties over de Lokale Inclusie Agenda en het onderzoek dat de Groene Hart Rekenkamer heeft uitgevoerd naar het functioneren van de inwonersparticipatie in onze gemeente, maar ook in Gouda, Waddinxveen en Zuidplas.
door Bert Verver
Depot voor tropisch hardhout
De enige inspreekbijdrage van de avond werd verzorgd door de heer Samuel van den Berg, directeur van de gelijknamige houtgroep uit Lopik. Zijn bedrijf, dat zijn roots in Nieuwerbrug heeft, heeft een vergunning ingediend om een hardhoutdepot in te richten op het perceel Molendijk 2a. Dat perceel is al jaren in gebruik voor de handel en sloop van vrachtwagens, volgens Van den Berg een vervuilende activiteit die getransformeerd zal worden naar een houthandel met natuurlijke grondstoffen.
Aan de hand van videobeelden kregen de aanwezige politici inzicht in de wijze waarop de transformatie naar een depot van FSC-gecertificeerd hardhout kan plaatsvinden. Een van de voordelen van het terrein, dat direct naast de spoorlijn Utrecht-Leiden ligt, is de korte verbinding via de Molendijk naar de A12, waardoor er geen belasting van de dorpskern zal plaatsvinden. Wel is het noodzakelijk om de bestemming van het terrein te wijzigen, ook voor een strook van 20 meter breed die over de gehele lengte bij het depot moet worden getrokken.
In antwoord op vragen vanuit de vergadering gaf Van den Berg aan dat uit onderzoek is gebleken dat de bodem van het terrein met olie vervuild is, maar dat de milieudienst heeft geadviseerd daar niets mee te doen. De vervuiling is ‘ingepakt’ in een kleilaag, waardoor sanering een grotere milieubelasting zou opleveren.
Lokale Inclusie Agenda Bodegraven-Reeuwijk
Na de inspraak presenteerde Anouk Bolsenbroek de Lokale Inclusie Agenda Bodegraven-Reeuwijk. Deze agenda, die gemeenten verplicht moeten opstellen, vormt de aanzet voor programma’s die het voor iedereen, ongeacht handicap of geaardheid, mogelijk moeten maken om op volwaardige wijze deel te nemen aan de samenleving.
Circa 200 personen hebben het afgelopen jaar hun bijdrage geleverd aan de totstandkoming van de agenda. De inbreng vond onder andere plaats via interviews en thematafels; de uitkomsten werden ingebracht in een brede werkconferentie.
Een aantal deelnemers gaf via de videoverbinding een toelichting op hun persoonlijke drijfveren om aan het proces deel te nemen. Een van hen was Robert Scholten, die het proces namens de gemeente heeft begeleid en daarbij kon putten uit een handicap die hij al jaren met zich meedraagt.
In de agenda zijn zes thema’s benoemd die in de toekomst nader uitgewerkt moeten worden. Het gaat om inclusief onderwijs, de inclusieve buurt met goed toegankelijke buitenruimten, zorg en welzijn waarbij mensen met ondersteuning hun leven onder eigen regie vorm kunnen geven, de inclusieve arbeidsmarkt met laagdrempelige arbeidsplaatsen met eenvoudige taken en cultuur, vrije tijd en sport met voorwaarden voor inclusie en toegankelijkheid bij subsidieverlening. Daarbij is het noodzakelijk, ook voor de politiek, dat communicatie en dienstverlening plaatsvinden in voor iedereen begrijpelijke taal. Er werd opgeroepen gemeentelijke beleidsstukken zodanig te formuleren dat iedereen, ongeacht achtergrond, daarvan kennis kan nemen.
Er is een platform opgericht om de agenda verder uit te werken. Momenteel hebben zich daarvoor zes mensen aangemeld, maar de initiatiefnemers hopen dat dit aantal zal groeien.
Wethouder Elly de Vries kreeg de agenda symbolisch uitgereikt. Zij sprak haar waardering uit voor het document, dat onder grote druk tot stand is gekomen. Ook was zij blij met het getoonde enthousiasme en typeerde zij de agenda als het begin van een inspirerende reis.
Inwonersparticipatie kan nog verbeterd worden
Iedere gemeente is verplicht een participatieverordening te hebben. Deze verordening hangt samen met de Omgevingswet en regelt de betrokkenheid van inwoners bij het tot stand komen van gemeentelijk beleid. De Groene Hart Rekenkamer deed onderzoek naar de wijze waarop de gemeente inwonersparticipatie heeft vormgegeven en welke effecten dat heeft gehad op de besluitvorming.
Namens de Groene Hart Rekenkamer presenteerde Boudewijn Steur de resultaten van het onderzoek. Hij gaf aan dat beleidsmatig onder andere is gekeken naar wat de gemeente verstaat onder inwonersparticipatie binnen het ruimtelijk domein en welke rollen en spelregels daarbij worden gehanteerd. Bij de uitvoeringsaspecten is gekeken naar de ervaringen van inwoners, in hoeverre het traject inzichtelijk is en hoe de resultaten van de participatie zijn vertaald in de besluitvorming.
Uit de bevindingen blijkt dat de beleidsmatige basis sterk en helder is en dat participatie aantoonbaar invloed heeft, maar dat inwoners het proces en het doel van de participatie als wazig ervaren. Ook wordt geconcludeerd dat het college en de raad zich bewust zijn van de spanningen rond inwonersparticipatie, maar dat een expliciete dialoog daarover ontbreekt.
De Groene Hart Rekenkamer doet in haar aanbevelingen onder andere het voorstel om een aantal raadsleden verantwoordelijk te maken voor het monitoren van participatietrajecten die onder spanning staan. Om de duidelijkheid voor inwoners te vergroten, moet zoveel mogelijk inzicht worden geboden in het proces, de resultaten en de follow-up. Ook wordt geadviseerd om met dorps- en wijkteams in gesprek te gaan over hun rol in participatietrajecten.
Uit de beantwoording van vragen van raads- en commissieleden bleek dat het wenselijk is de verordening te verbreden, omdat die nu sterk gericht is op ideeën die burgers aandragen. Inwoners moeten beter worden meegenomen in de afwegingen die leiden tot het uiteindelijke besluit. Daarnaast moet vanaf het begin van projecten duidelijk zijn wie verantwoordelijk is voor de participatie, aangezien die rol zowel door de gemeente als door een ontwikkelaar kan worden ingevuld.
Er is werk aan de winkel, maar de conclusie van het onderzoek dat “er winst te boeken is, terwijl de gemeente een behoorlijke uitgangspositie heeft”, stemt in dat opzicht hoopvol.















