Admiraal Johan Evertsen.
Admiraal Johan Evertsen. Foto: Abraham Blooteling

Admiraal Jan Evertsen: goed voor een volksoproer bij leven en ver na zijn dood

Historie Openbaar Verleden

BODEGRAVEN - Wie door het Zeeheldenkwartier in Bodegraven loopt, komt bekende namen uit de Nederlandse maritieme geschiedenis tegen. Piet Hein, Michiel de Ruyter en Maarten Tromp spreken bij veel mensen nog altijd tot de verbeelding. Maar wie was eigenlijk de Evertsen naar wie de Jan Evertsenstraat is genoemd?

Het antwoord voert naar Zeeland en naar een familie waarin het varen en vechten op zee van generatie op generatie werd doorgegeven.

Een familie van zeevaarders

Johan Evertsen, meestal Jan genoemd, werd in 1600 in Vlissingen geboren. Hij stamde uit een echte zeemansfamilie. Zijn overgrootvader Evert Hendrikszoon, afkomstig uit Zoutelande, was al in de zestiende eeuw als vlootvoogd actief. Ook Jans vader diende op zee. Die sneuvelde in 1617 bij La Rochelle tijdens een gevecht met een Franse kaper.

Voor de jonge Jan betekende dat dat hij al vroeg verantwoordelijkheid kreeg. Als oudste nog levende zoon nam hij het commando op het schip van zijn vader over. In 1618 wordt hij al als kapitein genoemd en vanaf 1622 duikt hij als zodanig op in de archieven van de Zeeuwse admiraliteit. Hij was duidelijk een rijzende ster.

Jan was niet de enige Evertsen op zee. Ook verschillende broers, zoons en andere familieleden bekleedden hoge functies bij de vloot. De naam Evertsen werd zo gedurende tientallen jaren een begrip binnen de Zeeuwse marine.

Tegen kapers en oorlogsvloten

Evertsens loopbaan speelde zich af in een tijd waarin de Republiek sterk afhankelijk was van handel over zee. Koopvaarders en vissers moesten worden beschermd tegen vijandelijke oorlogsschepen en kapers.

Jan Evertsen maakte snel carrière. In 1628 werd hij commandeur. Dat jaar wist hij met vier schepen een veel groter eskader Duinkerker kapers te weerstaan en Piet Hein tijdig te waarschuwen voor een poging om het buitgemaakte geld van de Zilvervloot te heroveren.

Een van zijn grootste successen behaalde hij in 1636. Bij Duinkerke verraste hij met vier schepen drie kaperschepen. Twee werden tot zinken gebracht en de beruchte kaper Jacob Colaert werd gevangengenomen. Voor die overwinning kreeg Evertsen een gouden medaille. Een jaar later volgde zijn benoeming tot viceadmiraal.

Zijn loopbaan kende echter niet alleen roem. Evertsen raakte geregeld verwikkeld in ruzies en politieke tegenstellingen, onder meer met vlootvoogd Witte de With. Tijdens de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog, van 1652 tot 1654, vocht hij in verschillende grote zeeslagen.

Van admiraal tot zondebok

In 1664 benoemden de Staten van Zeeland de inmiddels 64-jarige Evertsen tot luitenant-admiraal. Een jaar later volgde een dieptepunt.

Bij de zeeslag bij Lowestoft in juni 1665 leed de Nederlandse vloot een zware nederlaag tegen Engeland. Evertsen nam tijdens het chaotische gevecht het bevel over nadat zijn superieuren waren gesneuveld. Toen hij daarna met slechts enkele schepen terugkeerde, werd hem plichtsverzuim en lafheid verweten.

De volkswoede was enorm. In Brielle werd Evertsen uit zijn rijtuig gesleurd, mishandeld en in het water gegooid. Hij overleefde ternauwernood. Een krijgsraad moest beoordelen of hij zijn plicht had verzaakt. Medeofficieren namen het voor hem op en uiteindelijk werd Evertsen vrijgelaten en van rechtsvervolging ontslagen. De vele kogelinslagen in zijn schip ondersteunden zijn verklaring dat hij de strijd niet had ontlopen.

Allerlaatste keer

In 1666 sneuvelde zijn broer Cornelis Evertsen tijdens de Vierdaagse Zeeslag. Zeeland deed daarop opnieuw een beroep op Jan. Hij ging weer aan boord en diende onder opperbevelhebber Michiel de Ruyter.

Lang duurde zijn terugkeer niet. Op 4 augustus 1666, tijdens de Tweedaagse Zeeslag op de Noordzee, voerde Evertsen de voorhoede van de Nederlandse vloot aan. Aan boord van de Walcheren werd hij zwaar aan zijn been getroffen. De volgende ochtend overleed hij aan zijn verwondingen. Hij werd 66 jaar oud. Later kregen Jan en zijn eveneens gesneuvelde broer Cornelis samen een praalgraf in Middelburg.

Controverse

Bijna drie eeuwen later dook de naam Evertsen op in Bodegraven. Dat ging niet helemaal zonder strijd.

Toen rond 1960 nieuwe straten in het huidige Zeeheldenkwartier werden aangelegd, koos de gemeente voor namen die aansloten bij de zeehelden in de omgeving. De nieuwe Van Speijkstraat kreeg daarbij een opmerkelijke vorm: zowel de doorgaande straat als een doodlopend zijstuk met veertien woningen kreeg dezelfde naam.

In de praktijk bleek dat verwarrend. 2 jaar later besloot de gemeenteraad daarom het doodlopende gedeelte een eigen naam te geven: Jan Evertsenstraat. De bewoners waren daar bepaald niet blij mee. Voor hen betekende de wijziging dat hun adres opnieuw veranderde. Elf bewoners tekenden protest aan tegen het besluit.

Het mocht niet baten. De gemeenteraad hield voet bij stuk en in oktober 1962 werd de nieuwe straatnaam definitief doorgevoerd. Zo kreeg Jan Evertsen, bijna 300 jaar na zijn dood op de Noordzee, alsnog een plaats in Bodegraven. Misschien wat bekend dan Hein, Tromp en De Ruyter, maar met een levensverhaal dat minstens zo bewogen was.

Advertentie

Categorieën