Foto:
Verhalen uit het archief

Vele rampen treffen Bodegraven in de loop der eeuwen

Reeuwijk is diverse malen getroffen door dijkdoorbraken maar ook Bodegraven heeft vele rampen gekend.

Rond 1200 was op de oeverwallen van de Rijn en Oude Bodegrave een klein dorpje ontstaan, met een stenen kerk. Het veenriviertje was afgedamd, via een overtoom konden de scheepjes naar de Rijn getrokken worden. Het dorp werd bewoond door handwerkslieden en boeren die op de ontgonnen grond graan, vlas en hennep teelden en wat koeien en schapen hielden. Het vlas werd gebruikt voor de fabricage van touw, er waren diverse touwbanen in Bodegraven. Behalve de kerk waren de meeste huizen van hout met daken van stro of riet. Het dorp werd bestuurd door een schout, die benoemd was door de graven van Holland. Samen met 7 schepenen moest hij de openbare orde handhaven, de belasting innen en rechtspreken.

De schout en zijn schepenen konden de orde in het dorpje wel handhaven, maar tegen plunderende bendes waren zij helaas niet opgewassen. Al in de periode tussen 800 en het jaar 1000 toen de Vikingen ons land teisterden, zijn deze bendes ook enkele keren de Rijn afgezakt, en hebben daarbij ook in Bodegraven geplunderd en gebrand. Zo waren er vele jaren hoog oplaaiende twisten tussen de Hoeken en de Kabeljauwen, twee rivaliserende groepen van edelen ondersteund door steden en dorpen, die met elkaar in gevecht gingen. De twist ging van oorsprong over het feit wie er graaf van Holland moest worden, waarbij Jacoba van Beieren en grote rol speelde. Bij het weer eens oplaaien van de twist in 1489 hebben de Hoeken uit Woerden, die voor Margaretha van Beieren waren, Bodegraven platgebrand, omdat de bewoners met de Kabeljauwen voor Willem als graaf van Holland waren. Bij een volkstelling die in het jaar 1494 gehouden werd, telde het dorp ongeveer 133 huizen, dat waren er bijna 100 minder dan voor de verwoesting van 1489.

Nadat het dorp weer was opgebouwd volgde er nieuwe rampspoed. Er ontstond een waar schrikbewind van Gelderse troepen onder aanvoering van Maarten van Rossum, die krijgsoverste was van de troepen van de hertog van Gelre. Deze roversbendes hebben eerst in 1507 en later in 1512, het dorp platgebrand.

Geuzen, Spanjaarden en de Fransen

Daarmee was alle ellende in die eeuw nog niet voorbij, want ook de Geuzen en de Spanjaarden, hebben tijdens de gevechten in de Tachtigjarige oorlog, in de jaren 1575 en 1576 danig in onze streek huisgehouden. Een kleine pleister op alle wonden was de toestemming van Keizer Karel de Vijfde aan de schout van Bodegraven, om tol te mogen heffen van allen die het dorp binnen kwamen of verlieten. Dit ter compensatie van alle verwoestingen die door de Gelderse troepen veroorzaakt waren.

Nieuwe problemen ontstonden er in 1672, toen ons land werd aangevallen door de Fransen onder leiding van onder andere Lodewijk de Veertiende. Willem de Derde werd als Prins van Oranje benoemd als kapitein-generaal. Hij besloot de Hollandse Waterlinie in te stellen waardoor de polders rond ons dorp onder water kwamen te staan. Dit was een goede verdediging, tot in december 1672 de vorst inviel. De Franse troepen wisten over het ijs eerst Zwammerdam en later Bodegraven te bereiken, en koelden hun woede op de bevolking en op hun huizen door bijna alles in brand te steken. Ook de boerderijen tussen de dorpen werden platgebrand. (zie tekening uit 1672 van Romeijn de Hooghe)

In Bodegraven was dit inferno in Zwammerdam natuurlijk niet onbekend gebleven, dus iedereen die nog kon vluchten had de benen genomen via de Prinsendijk naar Gouda, of was richting Woerden gevlucht. En dat was maar goed ook, want Luxembourg, trok na Zwammerdam weer terug naar Bodegraven waarbij aan beide zijden van de Rijn alles werd platgebrand wat de troepen tegen kwamen. In het dorp zelf gaf hij opdracht om het slechts op enkele plaatsen in brand te steken, maar’ per ongeluk’ werd toch het hele dorp met allen die niet hadden kunnen ontsnappen, afgebrand en uitgemoord. Luxembourg voerde zijn troepen zonder enige orde over de Hoge Rijndijk naar Nieuwerbrug. Luitenant-kolonel Stouppa trok achter hem aan en liet alle huizen en watermolens, die nog niet in brand stonden, als nog in brand steken. Alleen de Rooms Katholieke schuilkerk bleef als door een wonder overeind.

De Franse generaal schatte dat hij tussen De Goudse Sluis en Nieuwerbrug tussen de 2000 en 3000 huizen had laten platbranden. Toen Willem de Derde op 29 december met zijn ruiterij in Alphen arriveerde, was het al te laat, het kwaad was geschied, na deze ramp gaf hij opdracht om op de plaats van de simpele schans aan de Enkele Wiericke, een stevig fort te bouwen. In 1673 was de bouw klaar, de aanleg had 92000 guldens gekost.

De volgende ramp was de grote brand in 1870.

Meer berichten