Het gebied Stein bij Reeuwijk.
Het gebied Stein bij Reeuwijk. Foto: Archiefbeeld

Armenzorg is al eeuwenoud

Historie Verhalen uit het archief

In onze tijd staan de zorgbijdrage en de zorg op zich constant ter discussie. Anderhalve eeuw geleden was de zorgverlening of een taak van de kerken of van particuliere organisaties.  Later werden door alle verschillende zuilen eigen kruisverenigingen opgericht, en ontstonden organisaties die zich bezig hielden met zorg voor ouderen en hulpbehoevenden.

Fonds van Stein 

Keizer Karel V had in 1531 verordend dat de zorg voor armen een taak voor de overheid was. Besturen van ambachten (dorpen) en polders stelden daarvoor ‘armmeesters’ aan. In de 16de eeuw was er in ‘het Land van Steijn’ (een gebied bij de Oukoopsedijk en Twaalfmorgen) een ‘Fonds voor de armen van Stein’. Zij haalden hun inkomsten uit aalmoezen, giften, collectes en van de opbrengst van landerijen. In de Franse tijd ging dit fonds over naar het burgerlijk armbestuur. 

In 1870 wordt Stein een deel van de gemeente Reeuwijk, waardoor het Burgerlijk Armbestuur van Reeuwijk de beschikking krijgt over het Fonds van Stein. Later valt het onder Sociale Zaken. Nog steeds wordt jaarlijks een flink bedrag uit het Fonds bestemd voor de echte minima in de gemeente. Sinds 2008 is Het Fonds van Stein ondergebracht in een stichting.

Zorg voor armen en wezen

De zorg voor armen, wezen en andere hulpbehoevenden werd in vorige eeuwen ook vaak door de kerken verzorgd. Ook waren er speciale stichtingen die huizen oprichtten waar wezen, armen, zieken of ouden van dagen konden worden gehuisvest (weeshuizen, armenhuizen of hofjes).

In het boek dat C. en G. Hamoen geschreven hebben over ’400 jaar Hervormde Gemeente Bodegraven’ is te lezen hoe het in de 17de eeuw in Bodegraven gesteld was. Uit archieven blijkt dat er in 1627 al een zogenaamde ’Heilige Geesthuys’ was waar armen, wezen en hulpbehoevende ouderen verzorgd werden. De kosten voor de verzorging werd voor een groot deel door de diaconie van de kerk betaald, de diakenen hadden dan ook een belangrijke vinger in de pap bij de gang van zaken in Het Wees- en Armenhuis. In de 19de eeuw was het Weeshuis gevestigd in een pand in de Kerkstraat in Bodegraven, dit pand ging verloren bij de grote brand van 1870. Er is nog een steegje in de Kerkstraat, dat herinnert aan het weeshuis ‘De Weeshuisbaan‘. Ook de Rooms-katholieke kerk had haar eigen armenzorg, evenals de andere protestantse kerken.

In de Reeuwijkse Reeks wordt beschreven hoe oud de armenzorg in Sluipwijk is: al uit 1473 is bekend dat schout Van der Hee de opbrengst van een stuk land schonk als bijdrage voor de armen. Ook in latere eeuwen gebeurde dat nog regelmatig. Zo lieten de erfgenamen van Jan Ravensberg in 1797 een legaat van 600 gulden na aan de diaconie. In 1713 had de schout geregeld dat er wekelijks huis aan huis werd gecollecteerd met de zogenaamde ‘armenbus’ in het ambacht van Sluipwijk.

Ziekenzorg en ziekenvoeding

Aan het einde van de 19de eeuw ontstaan er in Bodegraven diverse initiatieven om hulp te verlenen aan mensen die onder ziekte hadden te lijden. Arbeiders leefden vaak in slechte woningen waarbij de bewoners van meerdere huisjes samen dezelfde wc (toen nog een simpele ‘ buiten poepdoos’) moesten gebruiken. Ook was er nog geen waterleiding, waardoor cholera en tuberculose vaak voorkwamen. Bij de komst van de waterleiding in 1907 verscheen in de plaatselijke krant dan ook een dringende oproep van de artsen, om aan te sluiten op het nieuwe waternet, ter voorkoming van cholera. Als men ziek werd, was er geen inkomen, ook was er geen verzekering die de kosten van de ziekte vergoedde. Dit betekende meestal
bittere armoede.

In 1893 werd door een aantal notabelen waaronder apotheker K. Douwes Dekker, de Lutherse predikant De Meijere en bankier Van Ghesel Grothe een vereniging opgericht die zorg ging dragen voor voeding van de zieken. Samen met de huisartsen heeft deze vereniging meer dan veertig jaar gezorgd dat er melk, eieren en andere voedingsmiddelen werden uitgedeeld bij gezinnen waar de nood hoog was. Een jaar later werd door dezelfde mensen ook een ziekenkas opgericht onder de naam ‘Eendracht maakt macht’. Mede oprichter was Herman Blazer die ook vele jaren voorzitter was van de ‘ziekenkas’. Men ging van start met een kapitaal van 234 gulden, de arbeiders die zich aansloten waren verzekerd voor zes gulden per dag, men betaalde aan de kas met centen en dubbeltjes, die door de bode A. van Leeuwen werden opgehaald. Beide organisaties werden ook ondersteund door de Maatschappij tot Nut van het algemeen. Bij het zestig jarig jubileum van de kas, maakte men bekend dat er in die periode voor meer dan 100.000 gulden was uitbetaald aan de zieken.

Advertentie

Categorieën