
Commissie Ruimte over zomerwoningen, hardhout en migrantenhuisvesting
Politiek RaadszakenBODEGRAVEN-REEUWIJK - Het meest opvallende agendapunt voor de vergadering van de commissie Ruimte was ongetwijfeld het initiatiefvoorstel van SGP en LLBR om bij wijze van pilot tien zomerwoningen in het Reeuwijkse Plassengebied vrij te geven voor permanente bewoning. Opmerkelijk was dat door Wilco van Roon (LLBR) al voor de behandeling werd voorgesteld het agendapunt van de agenda te halen, een voorstel waar de overige fracties niet mee akkoord gingen. De opiniërende bespreking over de startnotitie ‘ruimte voor tijdelijke opvang en tijdelijke huisvesting’ was het tweede agendapunt waar veel aandacht aan werd besteed.
door Bert Verver
Nadat de commissie zonder verdere discussie positief adviseerde over de vergroting van een ligboxenstal aan de Buitenkerk, bogen de politici zich over de vestiging van een depot van de Van den Berg Houtgroep voor de opslag van duurzaam hardhout op het perceel Molendijk 2a in Nieuwerbrug. Voor deze uitbreiding is ongeveer 1 ha agrarisch land nodig.
Op het perceel is al heel lang een vrachtwagenhandel- en sloperij gevestigd, waardoor er sprake is van bodemvervuiling, waar volgens de commissie met de nodige zorg mee omgegaan moet worden. Raadslid Jan van Rooijen (CDA) uit Nieuwerbrug schaarde zich op voorhand achter het voorstel, maar er waren nog wel een paar punten die verder bekeken moesten worden. Zo vroeg hij zich af of de fietsveiligheid niet in het geding kwam bij de aangepaste in- en uitrit en of het nodig was de Molendijk aan te passen voor de, naar schatting, 52 verkeersbewegingen van zware vrachtauto’s per dag van en naar het depot.
De zorgen over de Molendijk werden breed gedeeld en ook vroeg de commissie zich af of de provincie wel akkoord zou gaan met de bestemmingswijziging. Wethouder Dirk-Jan Knol zag in een positief raadsbesluit juist een middel om met de provincie in overleg te gaan. Het gebruik van de Molendijk zag hij niet als een knelpunt, omdat die geschikt is voor verkeer tot 50 ton, maar hij beloofde daar met de aanvrager afspraken over te maken.
Met deze toezegging gingen de commissieleden akkoord, zodat het voorstel als hamerstuk naar de raad zal gaan.
Geen enthousiasme voor permanent wonen in vakantiehuizen plassengebied
In vervolg op een eerder ingediend burgerinitiatief hadden de fracties van SGP en LLBR een initiatiefvoorstel voorbereid om tien zomerhuizen in het plassengebied te bestemmen voor permanente bewoning. De indieners zagen zich gesteund door de wijzigingen in het rijksbeleid op dat gebied, die zijn ingegeven door de grote druk op de woningmarkt. De fractie van LLBR wilde het voorstel toch terugtrekken omdat een aantal harde kaders ontbrak, maar Henk van der Smit (SGP) gaf aan dat hij het voorstel wél wilde bespreken. Het was zijn fractie er vooral om te doen was om de burgerinitiatiefnemers te laten weten hoe het voorstel binnen de politieke gelederen valt.
Namens D66 gaf Bas Otting als eerste spreker aan niet gelukkig te zijn met het plan. Volgens hem levert het permanent maken van tien zomerwoningen geen wezenlijke bijdrage aan de woningmarkt. Bovendien, zo stelde Otting, brengt permanente bewoning onvermijdelijk uitbreiding met zich mee. “Dat zal het plassengebied stap voor stap veranderen en betekent een uitholling van de recreatieve en natuurlijke waarden van het gebied,” aldus Otting.
VVD’er Kees Willem van Os verwees naar een visie uit 2016, waarin sprake was van een persoonlijk gedoogbeleid. Hij waarschuwde dat de verkeersdruk in het gebied alleen maar zou toenemen en vreesde dat er veel ambtelijke uren in het voorstel zouden gaan zitten zonder dat dit iets oplevert.
Ook Merel van Dijk (GroenLinks) en Monique Jonker (PvdA) waren duidelijk in hun afwijzing. Volgens hen gaat het met het voorstel niet de goede kant op voor het plassengebied. Vanuit onder meer het CDA en fractie Borg werd daarnaast gewezen op de rechtsongelijkheid die zou ontstaan en de precedentwerking die het plan zou kunnen hebben voor de andere eigenaren van de bijna tweehonderd zomerwoningen in het gebied.
De overige fracties reageerden eveneens weinig enthousiast. In zijn afsluitende bijdrage gaf Wilco van Roon (LLBR) aan het voorstel niet als de ergste bedreiging voor het plassengebied te zien. Desondanks besloten de ondertekenaars uiteindelijk het voorstel terug te nemen omdat de wil om het initiatief door te zetten duidelijk ontbrak.
Combinatie van kleine en grote huisvesting
In de commissie werd verder opiniërend gesproken over de notitie ‘Ruimte voor opvang en tijdelijke huisvesting’. Aanleiding voor het debat zijn de urgente en complexe huisvestingsvraagstukken rond vluchtelingen, arbeidsmigranten, asielzoekers en statushouders. De discussie draaide vooral om de vraag welke richting de gemeente moet kiezen bij het organiseren van opvang en huisvesting.
Centraal stonden drie mogelijke scenario’s. Het eerste scenario gaat uit van regionale concentratie, waarbij gemeenten zich specialiseren in specifieke doelgroepen. Dit betekent grootschalige voorzieningen, gemeenten die hun individuele opvangdoelen ruilen met andere gemeenten in de regio en een relatief beperkte lokale integratie. Het tweede scenario richt zich op concentratie van opvang in één kern, waar meerdere doelgroepen op één locatie worden gehuisvest. Het derde scenario kiest voor kleinschalige opvang, verspreid over de verschillende kernen. Deze aanpak biedt meer flexibiliteit in het gebruik van locaties en bevordert volgens de notitie de integratie in de lokale gemeenschap, met een hogere mate van participatie en draagvlak.
Volgens Johan Langelaar (ChristenUnie) is het goed mogelijk dat niet één, maar juist een combinatie van alle drie de scenario’s nodig is om tot een werkbare oplossing te komen. Hij stelde voor om hiervoor een zogenoemde ‘woonladder’ te ontwikkelen, waarmee mensen stapsgewijs kunnen doorstromen naar passende huisvesting. Henk van der Smit (SGP) opperde aanvullend het idee van een ‘bouwtafel’, waar gemeente, ondernemers en arbeidsmigranten gezamenlijk naar oplossingen kunnen zoeken.
De commissieleden waren het erover eens dat er duidelijke verschillen bestaan tussen de doelgroepen. Arbeidsmigranten en Oekraïense vluchtelingen beschikken vaak over een eigen inkomen, terwijl dat bij alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’ers) en statushouders niet het geval is. Tegelijkertijd bestond er brede consensus over het uitgangspunt dat de gemeente haar verantwoordelijkheid moeten nemen in de huisvestingsopgave.
Wel liet de fractie van LLBR weten dat volgens haar de grenzen van wat de gemeente aankan in zicht komen. Wethouder Dirk-Jan Knol plaatste daarbij een kanttekening en vroeg zich af waarop die conclusie precies was gebaseerd. Hij toonde zich tevreden over de brede en inhoudelijke discussie in de commissie. Volgens Knol liet het debat zien dat met name het verder uitwerken van een mix van de scenario’s 1 en 3 binnen de gemeentepolitiek op het meeste draagvlak kan rekenen.















